Of ik belangstelling heb voor een rijles?

Deze man weet wel hoe hij de sfeer er in kan brengen. Binnensmonds godverend omdat ik dit gesprek nu echt moet voeren (ondertussen wel overwegend of ik ook gewoon zou kunnen ophangen) pers ik er uit dat ik denk belangstelling te hebben maar het niet echt zeker weet. Ik vind het nogal een vraag, want belangstelling heb ik nu ook weer niet. Ik moet dit gewoon van mezelf. Net zoals ik 5 km moet kunnen hardlopen in 22 minuten, nooit d-t fouten mag maken en spaghetti moet kunnen eten zonder de slierten te snijden, moet ik ook een auto zonder problemen kunnen besturen. Ik vat hem mijn situatie samen in enkele fraaie omschrijvingen: auto-tutje uit de Betuwe, goed in supermarktritjes, niet in drukke verkeerspleinen, noch in parkeren. Hij zegt iets als “ahaaaa”, met een toon die ik opvat als een mengeling van ongeloof en schrik. Zie je wel, ik ben een heel erg geval, hij vindt het ook, ik ben niet te helpen, ik zal midden op Hofplein een black-out krijgen en een kettingbotsing veroorzaken.

Het tegendeel is waar volgens meneer Hagel, want na 15 minuten hebben we, god sta me bij, een rijles gepland. Als ik ophang voel ik me net als na een sollicitatiegesprek; alsof ik acht blikjes Red Bull op heb en het hele gesprek in een roes heb gevoerd. Langzaam ontwakend uit die roes zie ik hoofdschuddend enkele gespreksflarden naar boven komen waarin ik nét iets te hysterisch lach op willekeurige momenten, net zo onsamenhangend vertel als na vijf tequilla en onsuccesvol mijn schaamte maskeer met een licht overslaande jankstem. Als hij denkt dat ik psychisch instabiel ben zou ik hem geen ongelijk geven. Tegen de tijd dat ik naar huis ga vanuit werk, het RedBull niveau is inmiddels gedaald tot een blikje of vier, merk ik dat er met dit gesprek al het een en ander in gang is gezet in mijn automijdende geest. Waar ik normaal gesproken vooral een boze blik werp als een auto te hard op me af komt rijden kijk ik nu met respect naar de bestuurder. Ik probeer me in te beelden welke ingewikkelde capriolen met pedaal en pook hij ook alweer uit moet halen om het gevaarte in beweging te brengen, dan wel te stoppen. Onderweg gedraag ik me voorbeeldig, stop ik gedwee voor rood, zwaai een keertje naar een automevrouw die aardig lacht en rem ik op tijd af in plaats van m’n fiets tussen de auto’s door te manoeuvreren. Als ik me nu de komende twee weken als keurige voetganger en fietser gedraag bouw ik wellicht net genoeg karmapunten op voor iedereen die ik mogelijk ga benadelen in het verkeer.

Een dag later zit ik bij een vriendin in de auto en kijk ik stiekem naar haar voetenwerk. Ik vraag me serieus af welke van de drie ook alweer het gas is, hoewel ik me misschien beter af kan vragen waar de rem zit, die brengt wellicht minder schade. Ik durf het niet te vragen, maar ze ziet me kijken en zegt godzijdank uit zichzelf “links is de koppeling, op rechts zit het gas en in het midden zit de rem”. Ik hoor mezelf zeggen dat ik dát gelukkig nog net wist. Ze geeft me een knipoog. Ik zie er denk ik uit als iemand die niet weet waar de rem zit. Aangezien ik over het algemeen ook tamelijk ongeremd door het leven ga neem ik de knipoog maar voor lief. Naast de groeiende karmapunten en het leerzame autoritje bij de vriendin, mijd ik elke autogerelateerde gedachte. Het theorieboek wordt niet opengeslagen ‘want na werk moet ik echt bijkomen van de drukte’ of ‘moet ik ook echt eens leren ontspannen in plaats van al dat ‘moeten”. Al met al gaat het vrij mindful, de hele verdringing. Ik zeg dat ik mezelf niet moet veroordelen als ik gewoon liever elke gedachte aan de rijles wegstop en moet accepteren dat ik lekker vermijd. Ik leg de theorie graag in mijn voordeel uit.

De dag des oordeels word ik wakker met niveau 9, uitgedrukt in RedBull eenheden. Het blijkt inderdaad waar wat ik cliënten vertel: verdringen werkt averechts. Alle ellende dringt zich later gewoon met de kracht van een tsunami aan je op. Een uur van tevoren vind ik het niet meer om uit te houden, ik eet drie broodjes pindakaas, drink nog een koffie (dom), stofzuig m’n huis nog maar even, doe de afwas, verzin nog een klusje of tien en dan gaat mijn telefoon. Het is Hagel himself. Dat hij wat later is. Want, zo zegt hij net veel nadruk en eigen onverbloemde ergernis: “Het is héél érg druk op de weg”.

Uhm. Ok.

Dit was toch een rijangstinstructeur? Wel een klein tipje voor de driedaagse cursus: de drukte op de Rotterdamse (of de Betuwse) weg hoef je niet persé te benadrukken als je je cursist belt die bij de gedachte aan 30 km per uur door een woonwijk al stijf staat van de adrenaline. Allemachtig, ik zit nu op niveau 11 en heb visioenen van auto’s die als krioelende mieren om mijn kleine lesautootje cirkelen en me langzaamaan opslokken met hun enorme wielen. Een kwartier later belt hij aan, en uit het getoeter in de straat maak ik op dat er wat auto’s achter hem staan te wachten die snel weg willen. Wegrijden is één ding, maar snel moeten wegrijden is een tweede. Het kan dus écht altijd erger.

Ik doe de deur open en voor me staat mijn instructeur. Een man met een vergeeld gebit, zegelring en schakelketting schudt me de hand en grijnst: “Nou, zullen we dan maar?”