Je weet dat je een stad echt kent als je de quirks, haardrachten, kledingstijlen en spots van de zwervers en dorpsgekken kent. Je kunt een goed restaurant kennen, die ene lekkere bakker, de mooie Bellamystraat, een verborgen boutiekje, en het leukste hoekje in het Wilhelminapark, maar dat maakt je niet een echte Utrechter, niet een échte kenner. Passerende provincialen, oude Utrechters die nu in Vleuten wonen in een Vinexwijk, mensen die zich verstoppen in hun huis in Leidsche Rijn of flat in Overvecht kennen immers ook vast een lekkere bakker of een goed restaurant. Dat telt niet. De zwervers en dorpsgekken maken de stad. Als je ze kent, dan kom je vaak in Utrecht, dan heb je zelf ook vaak ‘s nachts op straat gezworven in een of andere staat, dan kom je op veel verschillende plekken, dan ben je niet bang van ze, maar ben je blij als je ze af en toe weer eens ziet. Zwervend en levend en alles. Het geeft gewoon een goed gevoel als je aan iemand kunt vragen op een verjaardag: ‘zeg, heb jij die zogenaamd blinde met die geleidehond en die blokfluit onlangs nog mogen horen?’ Het is een gezamenlijke verwondering over de outcasts. Zij die pas écht elk Utrechts hoekje, steegje, pleintje ten volle benutten, als hun broekzak kennen, er straatnieuwsen slijten, blokfluiten, zingen of schreeuwen.

Zelf ben ik altijd gefascineerd door een aantal exemplaren, zoals de man in het witte pak. De man in het witte pak die vaak in de buurt van de Twijnstraat loopt. Het pak heeft iets weg van een slagersoutfit. Hij draagt een groot oversized overslag colbertje en een witte broek met vouw in dezelfde kleur. Zijn verschijning heeft weer niks weg van een typische slager. Dan zou je een grote grove man verwachten met een pokdalig gezicht. Ofzoiets.
De wittepakkenman heeft piekerig lang grijs haar en kijkt altijd wat bedachtzaam en glimlachend ietsje de lucht in. Hij heeft iets weg van een verlichte sekteleider. Je hebt ook de dronken huntingtonachtige meneer die vaak in de buurt van pinautomaten rondom het Neude hangt maar die je ook vaak ziet in de buurt van het station; het is de man met lang vrouwelijk grijsbruinig haar, niet al te oud (eind 40?), die  loopt op een schokkerige manier, vaak schreeuwend omdat niemand hem geld geeft. Deze man is een beetje eng. En een beetje hartstikke rijp voor de psychiatrie. Met name toen hij laatst midden op het fietspad overdag zat te spelen met een koordje van zijn jas. Dacht ik toen ik aan kwam fietsen. Het bleek zijn piemel. Die had ‘ie even uit z’n broek gehaald en daar zat hij mee heen en weer te bungelen. Ploink ploink, ploink, op zaterdag rond 14.00 op een fietspad. Logisch.
Laatst was ik met mijn bestuursvriendinnekes en toen kwam het gesprek op de wandelman. De wandelman was ik bijna vergeten, dat zou een gemis zijn geweest voor m’n Utrechtse herinneringen. Veel Utrechtse studenten zullen hem kennen. Mensen die colleges hadden in het Van Unnik of werkgroepen in het Langeveld. De wandelman: rood hoofd, groene wollen trui, buideltasje, dikke buik. En wandelen geblazen dus. Deze man liep daar met z’n rooie bakkes en z’n buideltasje ónder z’n dikke trui te sjokken. Vaak een iets stuntelig loopje, onzeker rondkijkend, dikwijls met de handen achter de rug liep hij de halfbakken conciërge uit te hangen, zonder conciërge taken. Deze mogelijk wat zwakbegaafde man, met een of andere ontwikkelingsstoornis of iets schizofrenerigs liep daar te lopen, dag in dag uit, terwijl normale mensen met rode hoofden en groene truien gewoon op hun werk zitten. Hij liep niet alleen te lopen. Hij liep te lopen op de faculteit sociale wetenschappen. Tussen de psychologen. De geestenzieke man had per jaar 500 nieuwe, jonge gemotiveerde bijna-zielenknijpers die  stuk voor stuk nooit ingrepen, hem aan een anamnese onderwierpen of achter op de fiets namen en afzetten bij Altrecht. Echte hulpverleners in de dop daar op de uithof. Naast de wandelman hebben we natuurlijk nog de blinde blokfluitende man, de kleine dikkerd op het station die onophoudelijk, manisch en breedglimlachend  ‘fijne dag, mooie dag, mooie dag en mooie mensen’ bazelt, de indisch uitziende hippie op uitgedoste fiets met hoog stuur, de bedelende doch netjes geklede lange dame met bril en kort haar. Zucht.

In Rotterdam zal ik weer de provenciaal zijn, die net wat leuke plekjes kent en een lekkere bakker en een goede lunchtent. Maar geen dorpsgek kan spotten. Als troost werd laatst de ‘man met wiel’ aan me geïntroduceerd. Een Rotterdammert die op een segway wiel door Roffa cruist. Hij heeft zelfs een facebookpagina.
Ik werd hier al bijna weemoedig van; in Rotterdam is alles anders, niet alleen de normalo’s, maar ook de Rotterdamse gekken zijn hipper, met wielen en facebookpagina’s.
Dag sekteleider, Huntingtonner, blinde blokfluiter en wandelman. Say hello to man met wiel.