De Riouwstraat.
Na honderdenéén bezichtigingen ging ik er heen met precies nul verwachtingen. Ik had de advertentie van kamernet geplukt omdat ik de luie en inhalige Utrechtse makelaars hun ‘bemiddelings’-kosten niet gunde omdat zij onder bemiddelen zoveel verstaan als ‘ik maak de deur voor je open, bemiddelend he?’

De huisbaas van de Riouwstraat was overduidelijk geen makelaar want had een soort antireclame voor het appartement gemaakt door én geen foto’s van het hok te plaatsen én in slechts drie regels vol taal- en spelfouten de boel aan te prijzen. Eenmaal daar trof ik echter een alleraardigst appartement aan en tevens een alleraardigst oud menneke van rond de 70, die ongeveer 1.50 m groot was en een aannemerschap 2.0 was begonnen; hij was eigenhandig de tent aan het opknappen. Dit duurde dan ook al 3 jaar zei hij. Hij zei nog veel meer dingen, deze man was wat we in de psychologie ‘breedsprakig’ noemen: van het bakkertje om de hoek tot de val van de Berlijnse muur, hij zwierde moeiteloos van het ene onderwerp naar het ander. Ik dacht enkel ‘hou je Utrechtse waffel, geef me een contract, ik wil dit huis, NU! VOORDAT SLINKSE AASGIEREN HET VOOR MIJN NEUS WEGKAPEN.’ Het was namelijk alles wat ik wilde. Nou ja, niet overdrijven, het had geen buiten, het stond in Lombok waar de Marokkanen door de straat racen met 100 km per uur om hun wiet te kunnen halen in de coffeeshop om de hoek, het was zo’n 300 euro te duur en met 40 m2 niet bijzonder ruim, maar voor Utrechtse begrippen was het te mooi om waar te zijn; het had ramen en deuren en muren, net gestucte muren zelfs, had 2 wastafels en überhaupt een badkamer die buitenproportioneel groot was in verhouding tot de rest. Hebben dus.

Ik moest er nog maar over nadenken zei hij. ‘Nee’ zei ik.

Want het was wel duur zei hij. ‘Ja, maar ik wil het toch’, zei ik.

Maar ik kreeg een week bedenktijd zei hij ‘Niet nodig’, zei ik.

In de telefonische screening door de echtgenote die volgde, wat eigenlijk meer een plat Utrechtse monoloog was over…ja, over wat eigenlijk? had ik blijkbaar op de juiste momenten gehummt en ge-oke’t en mocht ik erin. Er gebeurde hier een hoop.

Om te beginnen was De Riouwstraat de plek waar ik enkel te dealen had met mijn eigen zooi en niet meer met de remsporen van huisgenoten en hun haarballen in doucheputjes. Dat was al een fijn iets. Ik kon elke dag in bad als ik dat wilde. Ik kon voor een appel en een ei groenten en fruit halen bij de groentenmennekes uit de Kanaalstraat. Ik kon snel naar het station, in 7 minuten stond ik op het perron als ik mijn best deed en ik kon naar een nieuwe fijn stamcafeetje/ hangcafeetje/ goedmaakcafeetje op de Vleutenseweg, waar ze die keftaburger hebben met koriander en lekkere witbiertjes. Na een jaar zonder huisgenoten geleefd te hebben, en een mindfulnesscursusje later voelde ik me zelfs sterk genoeg om een andere baan te zoeken, en soms zelfs een baan af te slaan, en er uiteindelijk één te vinden. Ik voelde me sterk genoeg om er snel bovenop te komen toen me alsnog het contract aan de neus voorbij ging, om rapido een nieuwe baan te vinden, en ook om toe te geven dat ik verliefd was, ook al was dat doodeng,  en om een relatie te hebben sinds een hele tijd en ruzie te maken en sorry te zeggen.

Deze Utrechtse huizen loodsten me door van alles heen en lieten me kennismaken met mensen, flapdrollen, walgelijke huisbazen, verdrietjes, euforie, gelukzaligheid, liefde, gebroken harten, successen, avonturen, mislukkingen. In een huis op de hoek bij de Weerdsingel bij het Nijntjepleintje beleefde ik een heel gênant en dronken feestje,  bij de oude fietsenstalling bij het station trof ik een zwerver die mijn broodje kaas afsloeg, op de Hoogravenseweg moest ik die gore smurrie uit die kelk drinken bij wijze van mini-ontgroeninkje en kwam dat foute vriendje me nadien ophalen terwijl ik een uur in de wind stonk, op de Amsterdamsestraatweg net voor de watertoren heb ik ooit nog gehospiteerd, bij Roberto in de Poortstraat haalden we altijd ijsjes vanuit de Buys Ballot, over de brug bij het Zandpad fietste ik altijd naar de Indusdreef voor dag en dauw voor mijn bijbaan bij Flexicare, op de einsteindreef ben ik eens heel hard gevallen en kreeg ik het stuur in mijn buik, bij de spinozaweg bij die gekke kerk hoorde ik van M. dat de collega was vermist, met de oude meneer van het vrijwilligerswerk liep ik voor het eerst door park Oog in Al en keken we uit op de munt wat meteen mijn favo Utrechtse plek werd, in Heerenplein heb ik uren heerlijk gedanst met hoe heet hij ook alweer, vlakbij de Riouw kuste ik voor het eerst met de boyfriend, uren zwierf ik met 2 speciale  vriendinnen op zondagen door museumkwartier, in en om de kromme nieuwegracht en de singels, hele vrije dagen hing ik aan de bar in ’t Gras toen L. en F. daar werkten en kreeg ik heul veel gratis biertjes, naar café Tilt nam ik lange tijd al m’n nieuwe dates tot het gênant werd, op de Uithof heb ik heel veel scriptiefrustratie sigaretten gerookt en heel veel koffietjes gedronken bij dat ene koffiebarretje (Gutenberg!).

Het is ook de stad waar met geen mogelijkheid een betaalbare woning is te huren, de stad van waaruit ik talloze kilometers met de trein naar werk heb gereisd, de stad waar je eigenlijk niet een fatsoenlijke plek hebt om te dansen, tenzij je dat nog steeds graag doet op Guus of de Dikdakkers, de stad waar studenten het straatbeeld sieren maar waar het tamelijk onduidelijk is wat je er moet doen als het studeren klaar is, de stad waar ik de grootste avonturen mogelijk al heb beleefd.

Sinds vorige week maandag kan ik niet anders dan door Utrecht fietsen en in elke boom, elke straatsteen, elk café wel een herinnering zien. Hier woonde ik de afgelopen 12 jaar en bouwde ik alles op wat ik nu heb, waar ik voor sta, bijna iedereen met wie ik me nu omring. Vorige week maandag had ik namelijk een gesprek. Voor een baan. En ze willen me. En ik wil hen. En zo graag zou ik minder reizen naar werk en net zo graag zou ik eens niet meer duizend ekken aan huur betalen voor een hok waar je je kont niet kunt keren.

En dus ga ik er wonen. In de buurt van die baan. In Rotterdam zal dat zijn. Het rauwe Rotterdam, een ‘echte’ stad, met loodsen en een vette skyline en grootsheid en talloze initiatieven en culturele dingetjes en een nóg lelijker accent dan het Utrechtse, met die godbeterd lelijke euromast, koopgoot en lijnbaan, maar ook zoveel gaafs en nieuws en avontuur.  In m’n eentje, als een echte eerstejaars, zonder studentenhuis, ook niet met de boyfriend onder één dak, gewoon op de wankele Rotterdamse poten ga ik die prille liefde voor Rotterdam helemaal zelf onderzoeken op liefdespotentie en zorgen dat ik over een paar jaar net zo’n verhaal kan schrijven over 010 als over Uterèg.

Wees voorbereid op veel Utrechtse weemoedigheid de komende maanden.