Uitje

Ik ben een sjalotje. Een bescheiden uitje, met enige scherpte. Klein en vaak over het hoofd gezien in de groentenla. Ontdaan van m’n lagen, lig ik kernachtig en onopvallend te wezen.

Ooit was ik een rode ui. Blinkend, met stralende buitenkant. Bestaand uit vele lagen, soms tot tranen toe drijvend. Haalde je er bij het schillen eentje af, dan bleef er genoeg over.

Ik was een rode ui. Met een laagje humor, energie, creativiteit. Eronder doorzettingsvermogen en nieuwsgierigheid. Gevolgd door een schil analytisch vermogen, zelfopoffering en melancholie. En dan ben je er nog niet.

Het was fijn een rode ui te zijn. Maar al dat onderhoud van die lagen…Pfoe, het kostte ook veel energie. Mooi bordeauxrood en glad aan de buitenkant, eronder werd ik echter langzaam bruin. Met van die zachte stinkende plekken. Mijn schillen verhulden dit, maar lekker fruiten was er niet meer bij. Als ik niet uitkeek zou ik belanden in de prullenbak, geen enkel laagje meer bruikbaar.

Dus nu heb ik de ballast afgeworpen. Geen blakend rood, geen schitterend gelaagd reliëf, dat mijn gefermenteerde variant zo helderrood doet kleuren. Ik ben kwetsbaar kernachtig. Een sjalot die minder kan bieden, nog smaak en scherpte geeft, maar geen allemansvriend meer is. Ik ben een uitje voor de liefhebber.

Ik mis mijn lagen vaak. Op sommige dagen voel ik mij smaak- en betekenisvol, op andere dagen nietig en waardeloos. Soms wil ik weer terug naar mijn volle roodheid, mijn grote dikke rondingen. Ik wil weer lijken op de andere uien.

Maar wat ik onlangs leerde: ik ben helemaal geen familie van de ui, maar stam af van de lookfamilie. Waarom wil ik dan lijken op die grote gelen en roden? Ik ben gewoon een sjalotje. Een apart, klein en kernachtig uitje. Verwacht niet teveel van me, maar vergis je niet… Ik voeg nog steeds smaak toe.