Ik zit met mezelf en een flat white in mijn favoriete koffietentje. In oude buurt, buiten in Het Park, dat absoluut z’n hoofdletters heeft verdiend met de vijvers, bloemen en kronkelpaadjes.

Het ruikt naar versgemaaid gras, en als je het nog niet rook dan werd je je bewust van de gemaaidheid door het geluid van de grote zitmaaier verderop. Dat geluid is op zich jammer, maar de geur maakt veel goed.

Vandaag zijn er ook, zoals op alle dagen eigenlijk wel, ouders die in hun eentje hun pappa- of mammadag aan het uitzitten, dan wel aan het vieren zijn afhankelijk van de huilerigheid van hun kind. Ik zit alleen, zonder mini-mens, maar met mijn e-reader. De elektronische woorden hebben mijn aandacht nodig, maar dat is toch anders dan de aandacht die vleesgeworden kleine mensen nodig hebben.

De ouders begroeten elkaar, voor ze plaatsnemen en een bananenbrood of croissantje bestellen. Sommigen ook een babychino, wat zoveel is als veel te dure opgeklopte melk in een koffiekopje. Misschien hopen ze dat het de leeftijd van het kind meteen een beetje opklopt. Voelt de ouder zich er minder treurig door? Samen lekker ‘koffie’ drinken, als ware het kind een volwaardig koffietentjespartner, in plaats van een hulpeloos wezen dat de hele tijd vermaakt moet worden en je wallen bezorgt.

Maargoed, het gaat me om het groeten. De ouders groetten elkaar. Ik ben gewoon een allenige ziel met e-reader, geen incrowd, dus geen groet voor mij. Ik werp af en toe een liefdevolle blik naar de ouders als hun kotertje even komt neuzen bij mijn tafel, of als ze schattige kinderdingen doen, zoals de hele tijd vallen. Ik voel me een beetje behaagziek, en tegelijk ook geïrriteerd. Het is niet dat deze ouders elektronische woorden op hun telefoon lezen en mij liefdevolle blikken toewerpen als e-readermetgezellen. Ik zie hun kind, laat ze dat weten, en zie hun. 

Naast me nemen twee oudere vrouwen plaats. Die zijn meteen uitzonderlijk vertederd door al die loslopende kindjes en slaken lachende kreten als een kind op zn hoofd gaat staan in het gras. Ik besluit me een beetje om te draaien en me te storten op mijn boek (met de passende titel voor deze gelegenheid ‘De vriend’, van Sigrid Nunez), voor mijn irritatie over deze kindertentoonstelling de overhand gaat nemen. In verdriet heb ik ging zin, dus dan moet de irritatie maar groter worden. Goede rijpe afweer, maar niet heus.

Een van de vrouwen heeft een hond. Die er deels uit ziet als een labrador, maar dan met de korte poten van een teckel. Een enorme dikke worst dus, maar wel een hele lieve. Hij snuffelt rond, komt rond mijn tafeltje scharrelen, ik aai hem een beetje, tot hij na een tijdje onder mijn benen komt zitten en zijn snuit tegen mijn hand duwt. Na het neuzen in mijn handpalm blijft hij zitten in mijn knieholten. Zo blijft hij wel een kwartier bij mij, af en toe omhoog kijkend met z’n waterige grote hondenogen. De irritatie is weg, maar nu voel ik dus verdomme dat verdriet. Dankjewel hond.

De eigenaresse van de hond, gehuld in een groot gehaakt gewaad, draait zich naar me om en zegt: ‘sorry hoor, dat doet hij soms. Hij zoekt altijd degene op die het een beetje nodig heeft’, en ze geeft me een knipoog.

Niet alleen gezien door een hond, maar blijkbaar ook door een mens.