Ooit woonden wij in een huis van papier-marché. Het dunne wandje tussen één van de slaapkamers en de woonkamer was niet gevuld met isolatiemateriaal maar van boven tot onder met lege Davidoff pakjes. We woonden er met drie in onze eigen bubbel. Eigenlijk was het meer een wolk. Van nicotine. Voor roze wolken was het nog te vroeg. Er waren kleine roze wolkjes van verliefdheden of mannelijke gedoetjes die we verwarden voor verliefdheden, verder vooral die rook dus. 


We vierden feestjes op onze wolk, schreven scripties, gingen naar banen, katerden hele dagen aan de keukentafel waar we ook weer nieuwe katers creërden. En maakten soms ruzie. Meestal over de afwas en de schoonmaakschema’s die we om beurten lieten versloffen om ons daarna weer eens flink kwaad te maken en huis te houden. Maar altijd kwam er weer de realisatie dat er tegen die rook en dat vuil dat door kieren en krochten binnen waaide niet aan te schoonmaken was. We rookten dus nog maar weer een sigaretje want voelden ons verslagen door de pauperheid van ons huis. In een poging ons te verzoenen met de viezigheid gingen we soms gewoon na het uitgaan liggen op de keukenvloer, vielen er in slaap en sleepten onszelf naar bed na een paar uur. We waren één met het stof en het was bovendien een vorm van alternatief dweilen.


We maakten pastasalades en lasagne in duizend varianten. We oordeelden streng, maar vaak ook rechtvaardig over de mannen die we voor even in ons leven hadden. Meestal waren het nog jongens. We kenden portiers van foute bruine kroegen en sjansten ermee, namen schaamteloos foto’ s van onze gekke bekken waarbij we opvallend vaak een tong uitstaken of kusmondjes naar elkaar maakten, zongen avond aan avond mee met playlists waar we ons nu erg voor schamen (behalve als we samen zijn), leenden elkaars kleren, kenden elkaar vrienden, waren een klein familie’tje. 


Met één van deze draken, ook een woord dat afstamt uit deze tijd, is er nog een innige vriendschap. We hebben, god mag weten hoe het is gelukt, een man gevonden die ons leuk vindt en blijft vinden en als we met zijn vieren iets doen zeggen wij vrouwen achteraf tegen elkaar dat we in kwartetvorm een natural fit zijn. Ook onze mannen vinden elkaar leuk. Nu lijkt het alsof we bij elkaar in de straat wonen en de deur platlopen. Dat doen we dus niet, soms gaan er maanden voorbij dat we elkaar niet spreken, maar de draad wordt moeiteloos opgepakt. We leefden immers ooit op dezelfde wolk, weten nog hoe ontmoedigd de een beneden kwam na de zoveelste tegenvallende nacht met die ene scharrel, hoe de ander ooit een schreeuwende scharrel onder haar raam had. We hebben soms ruzie gemaakt omdat we zo vervlochten waren dat we dachten recht te hebben levenskeuzes van de ander te veto’en, en hebben goedmaaksessies gevierd met de rosé-bocht, sigaretten en playlists. We hebben de draden vast, hoeven ze nooit op te pakken, laat staan te zoeken.


We kunnen hoogdravend uren praten, en noemen het gallen. We kunnen ons bescheuren om elkaars berichten, en ons in elkaars gezelschap schaamteloos op de borst kloppen als we heel veel andere mensen stom vinden. We kunnen ons wentelen in filosofisch gemijmer, we kunnen nog steeds Gaston van Belle en het Beest uit ons hoofd zingen en ook het duetje van Joling en Hazes die de aso-buurman vroeger door open raam draaide als hij een kater had. We kunnen elkaar precies en haarfijn aanvoelen en lieve geruststellende moederlijke dingen zeggen. We houden van woorden en kunnen er een beetje mee toveren soms en dan snappen we elkaar nóg beter. We hebben de kleinste details van onbeduidende gebeurtenissen van de afgelopen jaren onthouden, lachen nog altijd om een Bruno Banani grapje al weten we geen van beiden meer precies hoe die nou ontstond. We delen een essentiële periode in onze geschiedenis. 


En nu…hebben we onze eigen nieuwe familie’tjes. Het rookgordijn van onze post-studententijdperiode is opgetrokken en wat resteert is een vriendschap waarin geen moeilijkheid onbesproken blijft en geen schaterlach onderdrukt. Er zijn roze wolken, er zijn kleurige wensen, banen, kampeerverlangens. We hebben de pasta verruild voor tempeh, de lasagna voor  salades, de scripties voor kookboeken, de met-kater-naar-werk-gaans voor verantwoordelijke bevlogenheid in banen. Het roken is sporten geworden, de bocht werd een goede Malbec, de ongezonde overdaad is nu ijverig overwerk en de potten thee werden flesjes hippe kombucha. We hebben een koers en nog altijd plek om aan te meren in onze gezellige keukens, waar het minder vies is dan eerst en we niet meer op de grond liggen.


Zal ze er straks nog zijn? Vroeg ik me even af, toen ik haar buik zag groeien en ze het welbekende zwart-witte fotootje voor mijn neus zwaaide. Zal ik die kleine duivelse ondeugende blik nog zien als ze op een schaamtevol grapje broedt, zal ze nog theatraal uitroepen dat de dingen toch ‘godsgeklaagd zijn?!’ Zal ze nog tijd hebben voor hoogdravende apps die halve blogs zijn, voor voiceberichtjes en voor dom mijmeren, of wordt alle cognitieve capaciteit in beslag genomen door babyliefde? Inmiddels weet ik, nu de beeb herself in magnifieke vorm zich aan de wereld heeft gepresenteerd, dat onze vriendschap bestaat vanwége het roze en het grijs. De rosé en de nicotine, de zoetigheid en de zwartgalligheid, wiebeligheid op een wolk en hard er van af flikkeren, Mark en Krank. We zijn nu een rozegrijze moeder en een rozegrijze tante. Ze is er nog, en net als vroeger aan de keukentafel heeft ze een riante plek voor me gereserveerd op haar wolk.