Screenshot_20171108-072031

Ik zit op een catamaran en we varen tussen de Galapagos eilanden. De zon schijnt loeihard, ik smeer me kapot met factor 30, zie roggen en dolfijnen uit het water springen en ik zit met een geweldige man op het dek. Alles klopt. Maar ik erger me. De man is namelijk verwikkeld geraakt in een gesprek met de Noren, Amerikanen en Puerto Ricanen die ons vergezellen op deze boot. Zoals meestal na een uur gebeurt als je met een onbekend reisgezelschap bent, begint ook nu ‘De Grote Reisbingo’. Zodra de Noor zijn meest exotische bestemming presenteert, komt de Amerikaan op de proppen met zijn overtreffende trap. Bij De Grote Reisbingo moet je zoveel mogelijk bestemmingen op je kaart hebben staan. Het liefst ook nog opgedaan tijdens een solo-reis waarbij je jezelf helemaal hebt gevonden. De winnaar wordt bekroond met de titel Echte Reiziger. Of ik ook veel reis is de vraag. ‘Nope, I didn’t. I just studied, finished it and started my first job’. Zwemmen met haaien, wonen in gastgezinnen en kennismaken met de binnenlanden van Kiribati was inderdaad interessanter geweest en dus valt er een stilte. Ik voel me onbeduidend, de saaiste vrouw van het westelijk halfrond en hoewel ik me erger, wil ik eigenlijk ook een bingo-kaart.

 

Ik kan hier natuurlijk een potje cynisch doen over hoe het reizigersvolk er op uit zou zijn om te zorgen dat ik mij klein en saai voel, maar ik weet ook wel dat dat een niet erg reëele gedachte is. Waar die schoen wringt is m’n eigen oordeel over mijn betrekkelijke onervarenheid op reisgebied. Ook al ben ik de laatste jaren gestart met een goede inhaalslag, waarbij landen als Marokko en India wel goed zijn voor een aantal bingovakjes tegelijkertijd, bijvoorbeeld omdat je er vaak poep op de muren van het toilet aantreft en zevenhonderdzesenvijftig tapijtverkopers moet afwimpelen, nog steeds heb ik niet alleen gereisd en dat is toch een pijnpuntje.

 

Want alleen reizen vind ik stoer. Alleen reizen getuigt van durf en visie en op jezelf aangewezen durven zijn en jezelf best aangenaam reisgezelschap vinden. Ik heb het nog niet gedurfd. Ik ben bang dat ik de enige backpacker op aarde zal zijn die zes weken in zijn eentje op een kamer zit in een smerig hostel en wordt uitgelachen door elk groepje bedreadlockte hippe backpackers als ze vraagt of ze zin hebben om een potje te kaarten. Ik heb niet een erg stevig ‘kompas’ voor alleen reizen. Denk ik, vermoed ik, vrees ik. Als je op reis bent zijn er veel keuzes: wat ga je doen en wanneer en waarom en met wie en hoe? En is dat handig, veilig, het goedkoopst, het slimst? Dat soort knopen hak ik meestal door met mijn reisgezelschap of zij doen het. Ik kan me nog goed herinneren dat twee van mijn reisvriendinnen met elkaar kibbelden over wat voor soort overnachting we zouden gaan boeken op onze volgende bestemming. Ik stelde voor dat we de ene stad deden wat de een wilde, en in de andere stad wat de ander wilde. Mooi, hoef ik niet te kiezen. Als ik met de man reis presenteert hij meestal een aantal ideeën of voorkeuren, zoals ‘laten we met de taxi gaan naar dat monument’, of ‘laten we hier eten want dat is makkelijker vanwege …’ En daar vind ik dan iets van en dan beslissen we. Maar zelf voorstellen dat we beter kunnen lopen naar en dan al de route hebben uitgestippeld op de kaart, dat doe ik dus niet. Bang voor slechte keuzes, mislukking, en vooral: slechte inschatting.

 

Ik wil dus wel zo’n kompas. Zo’n mooie grote met dikke vette rode naald die me begeleid. Ik wil meer op mezelf durven vertrouwen en soms keihard op m’n bek gaan en me dan realiseren dat ik ook die misère wel gewoon oplos. Ik wil in mijn eentje in een restaurant eten en kijken of ik van ellende schuimbekkend in de gordijnen klim of senang mijn maaltje eet. Ik wil in mijn eentje afwegen of die rit van 16 uur in bus met kippen verstandig is of ik beter met de duurdere trein kan gaan. Ik denk dat het leuk is, maar ook dat het goed is. De meeste mensen doen dit soort zelfontdekkende tochten op hun 18de, ook een beetje meer in lijn met de hele identiteitsvorming. Maar aangezien ik me nog weleens moet legitimeren bij de AH voor een fles wijn beschouw ik mezelf op mijn 33ste nog jong genoeg.

 

Dus ik ga. Met samengeknepen billen en na zo’n dertig mailtjes gewisseld te hebben met een Truus van World Ticket Centre heb ik een combiticket geboekt naar Sri Lanka, Australië, Nieuw-Zeeland én Nepal. Ik ga gewoon, met kin omhoog (en klotsende oksels) en bingokaart in de hand ga ik schildpadden en olifanten spotten, theeplantages doorkruisen, Sri Lankaanse ouderen helpen in zorgcentrum, de vetste trekkingen doen, hoogteziekerige koppijn krijgen, de lieve vriendin weer zien die ooit tegenover me woonde, en zelf tijdelijk wonen in een campertje met de liefde van mijn leven. Ik zal wellicht ook vluchten missen door vertragingen, per ongeluk dat ene hele smerige hostel ontdekken waar nog een gebruikt condoom van de vorige gast onder het bed ligt, uit onwetendheid de plaatselijke delicatesse (koeienoren) voorgeschoteld krijgen en moeten opeten terwijl een gastgezin me verwachtingsvol aankijkt, onnoemelijke kou lijden omdat ik tóch weer te weinig warme kleding mee heb genomen en ook zal ik duizend keer een klein beetje verdwalen of het thuisfront missen, maar met deze reis op zak ga ik sowieso prijs hebben; een beter gekalibreerd kompas, een avontuur rijker én een vollere bingokaart. Note to future self: ga er niet zo opzichtig mee zwaaien als de Echte Reizigers op de catamaran.