Ik ken er het hele assortiment van de AH te go op het station en ik heb geleerd welke rondjes ik buiten kan lopen voor optimale benutting van mijn dertig kostbare pauze-minuten. In de korte wandeling van het station naar kamer 2.10 op De Hellingen passeer ik ’s ochtends steevast de lapjeskat in het zijstraatje, spinnend voor het raam. Op de terugweg zwaait de bebaarde overbuurman die vaak voor zijn huis op het bankje zit. Hij steekt ook z’n hand op als ik hem onderweg tegenkom naar het station. We zijn bekende onbekenden, horen een beetje bij elkaars dag. Hij woont in het verzakte huis met de bijenkasten op het dak. Ik kijk er op uit vanaf de koffie-automaat op de tweede verdieping.


De koffie-automaat is een belangrijk vernuft in settings als deze. Je treft er mensen, voor praatjes pot, probeert er een gastvrouw te zijn voor je cliënten, je kunt er een beetje wachtend mijmeren. Misschien teveel eer voor de koffie-automaat van de Pelican Rouge, maar je hecht je aan van alles. Ik heb de koffie al jaren geleden verruild voor thee. Na een moeilijke sessie geef ik mezelf soms chocolademelk. Volwassen coping voor een psycholoog, lekker die moeilijke gevoelens verdrinken in suiker. De thee ben ik zelf gaan meenemen, want de keuze tussen Earl Grey en Earl Grey vond ik toch te beperkt en de duizend kartonnen bekertjes heb ik vervangen door een grote theemok. Die leidt elke dag wel tot een grapje van minimaal één cliënt. Ik voel me dan ook minstens één keer per dag slecht over mijn mok ter grootte van een vaas. Alsof ik met mijn vaas tegenover het kartonnen bekertje mezelf boven de cliënt plaats. Dagelijks zeg ik in mezelf dat de mok mij vooral huiselijkheid en houvast geeft, geen status. 


Het is mijn plek niet meer, deze grote veelzijdige GGZ instelling die vaak verkeerd wordt gespeld, als een jongensnaam met de J. van Julius. Het is Yulius met de Y, als een wichelroede. Daar hopen we allemaal op als therapeuten, dat we de weg samen met clienten kunnen vinden.  Mijn standplaats is Indigo, met vaak ten onrechte de klemtoon op de tweede i. Mag ik dat op de valreep alsjeblieft nog verduidelijken? Índigo is het hoor jongens.


Ze waren lang wel mijn plek deze, Yulius en Indigo. Nadat ik me door de stugge Dordtse modderbrei had heengeworsteld kon ik er lekker zwemmen. De temperatuur van het bad was aangenaam. Ik ken inmiddels elke vlek op de vloerbedekking, weet welke collega snel antwoordt en wie er een tweede herinnering nodig heeft of bij wie ik beter langs kan lopen. Ik ken het nummer van de ICT uit m’n hoofd en hoop altijd dat ik Dirma aan de lijn krijg. Ze klinkt moederlijk en met haar begroeting geeft ze de indruk je te kennen en dat is fijn bij computerpaniek.

Mijn kamer heb ik veroverd met 32 uur per week werken gedurende 7,5 jaar. Ik hoef niet te switchen tussen kamers, heb één vaste plek, wat een ongekende luxe is in dit verouderde gebouw met te weinig hokjes. Het is in mijn kamer altijd net te koud, op maandag in de winter heeft iedereen een dik vest aan want de verwarming heeft ook weekend gehad en er nog geen zin in. Ik heb er nepplanten staan omdat ik mezelf ken; dode planten bij de psycholoog leek me niet goed voor het vertrouwen. Er hangen reisfoto’s waarbij ik kan wegdromen tijdens emdr-sessies als cliënten hard grienend de lichtbalk volgen en er in hun werkgeheugen flarden narigheid rondzweven. Ik zweef ook een beetje, sta met één been in de kamer de cliënt in de gaten te houden en met eentje in Nepal, Sri Lanka, Nieuw-Zeeland en Namibië. Mijn bescherming tegen de heftigheid van wat er gebeurt. 


Er staat een rij boeken stof te vangen. ‘Psychologen hebben boeken’, moet ik ooit gedacht hebben. Ik gebruik er eigenlijk maar vier. Ik ken bij deze club de procedures en de mazen, kan een potje breken, mag een beetje boos worden zonder daarna te vrezen voor m’n ontslag. Ik ken alle 7383637 manieren waarop het gigantische kopieerapparaat open kan als hij weer eens vastloopt. Ik weet dat je je adem moet inhouden in het toilet op de maandag. Er hangt een rioollucht. Het briefje op de deur met vriendelijke doch dwingende rijmpjes over remsporen weghalen en luchtverfrisser spuiten ken ik uit m’n hoofd. Het TL-licht, de groene vloerbedekking, het naambord met schuifjes bij de ingang: oubollig maar vertrouwd.

Ik weet de lunch van mijn collega’s; de twee boterhammen met kaas, de soep met crackers, de yoghurt met cruesli, de bietjessalade, de triggers van gevoeligheden van collega’s, meerdere keren gezien, over en weer. We hebben elkaar vaak verteld dat het leven best moeilijk is. Geven de zachtheid die we nog over hebben na een dag empathie strooien ook aan elkaar. We herinneren elkaar eraan dat het begrijpelijk is dat de sores van cliënten soms zwaar zijn naast eigen gedoetjes, groot en klein. We zijn het veilige badje waarin de zwemmers allemaal snappen wat de impact is van dit beroep.


Het was hier fijn zwemmen.