In mijn familie sta ik bekend als degene die niet goed op z’n spullen let. Fietslampjes ben ik altijd kwijt, sleutels verlies ik, portemonnees zijn meer dan eens gestolen. Terwijl ik heel ordelijk ben op bijv. werk lijkt het alsof met het verlaten van de werkplek alle ordelijkheidsenergie is opgebruikt. Ik ben onvoorzichtig, warrig, kom vaak een beetje te laat en heb al 11 verschillende OV-chipkaarten gehad.

Wat ik ook makkelijk verlies is m’n hart. Ik verlies het in mensen. In dingen. Het praat bijvoorbeeld tegen iedereen. Over moeilijkheden, kwetsbaarheden, schaamtevolle dingen, dingen die het soms best bij zichzelf zou mogen houden. In werk kan ik het verliezen in het geven van de best mogelijke zorg, waarbij ik soms vergeet voor mezelf te zorgen. ‘Hier patienten, hier zijn m’n hart en ziel, verkwist ze niet’. Ik verloor hem vaak aan liefdes. Of iets wat er op leek. Onzuinig was ik erop. Het stond maar open en beschikbaar te zijn, ik gooide hem soms zelfs achteloos naar iemand. Alsjeblieft, ik hoop dat je kunt vangen. Maar geen probleem anders, je mag hem ook laten vallen. Ik raap het wel op. Als je er op trapt strijk ik het glad, zoveel zie je daar niet van. Soms viel m’n hart, in een plas water, dan weer op de harde stenen, soms werd het verfrommeld. Ik was slordig met m’n hart.

Dus nu probeer ik er zuinig op te zijn. Met mijn OV-chipkaart lukt het ook alweer een hele tijd. Het is wel een beetje een gedeukt en gevlekt hart, waaruit hier en daar een hapje is. Soms gooi ik het ineens, maar haal het dan terug als iemand er onzuinig mee zou kunnen zijn. Soms snoer ik het hart gewoon de mond, ook al heeft het spreekdrang. Ik laat het vallen niet meer onbestraft als iemand er onzorgvuldig mee is en heb betere technieken om het uit te deuken als het per ongeluk toch een smak maakt. Een beetje zuinigheid is zo gek nog niet.

Gelukkig wordt er ook goed gevangen tegenwoordig.