Ik las ooit een gedicht over het verlangen om een mos te zijn. Om een klein leven te leven, niet met grootse betekenis. Aan ‘mos, gedicht’ had Google niet veel, maar ik heb het toch gevonden. Het bleek om een moerasplant te gaan, en ik trof het uiteindelijk aan op mijn blog want ik schreef er in 2013 al over. Mooi om te zien dat mijn verlangen als een moerasplant te leven constant is gebleven. Sommige dingen veranderen blijkbaar niet.


Ik moest denken aan dit gedicht toen ik bij mijn schematherapiesupervisor zat die mijn relaas aanhoorde over de zware deken van vermoeidheid die ik over mijn herfstkleren met me meezeul. Die deken die zorgt dat ik het benauwd heb omdat het veel te warm is voor dekens. Ze zuchtte een meelevende diepe zucht, zei met moederlijke warmte dat ik dat natuurlijk helemaal niet wil, al die moeheid en last op mijn schouders en zei, deels vanuit eigen heimelijke verlangen: ‘soms zou het lekker zijn om gewoon een overzichtelijk beroep te hebben en verder niet zoveel te willen. Postbezorger zijn. Postzak leeg, job done. Of rookworstenverkoper bij de Hema. Worsten op, even een sigaret met collega, en naar huis.’ 


De rookworstenverkoper is blijkbaar een ding onder psychologen want het was het standaard grapje met mijn oude werkbegeleider. Als we ons overspoeld voelden door alle zorgen van cliënten, alle verantwoordelijkheden die we voelden voor dierbaren om ons heen, fantaseerden we over de overzichtelijkheid van een leven als rookworstenverkoper. Of kapster. Niet dat dat werk er niet toe doet, of onbelangrijk is, integendeel. Het gemis van de kapper zagen we maar weer eens de afgelopen maanden toen we tegen de uitgroei van de rookworstenverkoopster aan moesten kijken bij de eerste corona-stuipen. Maar het is duidelijk en afgebakend. Er gaan geen mensen dood of mensen voelen zich niet ontstellend slecht als je een fout maakt. Je hoeft niet al te vaak slecht nieuws te brengen, behalve dat iemands haar groen is uitgevallen of dat de worst op is.


Maar, zei de supervisor, we zouden onszelf waarschijnlijk gewoon meenemen naar de rookworstenbalie en de kapsalon. En ons ontfermen over de collega die in zwaar weer zit, of proberen het leed te verzachten van iemand die niet oplicht van haar nieuwe haar. En daar komt de moerasplant om de hoek kijken. Want wat ik en mijn supervisor (en ik denk meer mensen) eigenlijk wensten is de moed en ook de onverschilligheid om gewoon te liggen zijn in dat water, het schaarse licht opslurpen, en verder een beetje dampen, niet erg hard groeien ook, waarom zou je? 


Wat heerlijk rustig lijkt me. De dag beginnen, die uur voor uur afwerken, tevreden zijn met die voorbijgegane uren, niet meteen weer denkend aan alle te nemen carrierestappen, aan hardlooprondjes die nog gerend moeten worden, aan berichtjes voor vriendinnen, of iedereen zich wel goed voelt en of je daar nog iets moet/kan/wil betekenen. Bij dat alles dan ook nog de vraag of je daar eigenlijk wel zin in hebt, het kan maken om het niet te willen en wat er toch van je moet worden als je dat allemaal eens niet wil.


Zíjn, niet meer dan dat, middelmatig, zoals wij allemaal, dingen doen die niet speciaal zijn, maar gewoon fijn en comfortabel in dat moeras dat het leven heet, daar ga ik maar eens voor. Of is dat toch weer een groeiproject?