Wanneer
Wanneer mag ik je meenemen?
Naar terras met vrienden,
Naar Pleinbios, Froukje of Triëst
Wanneer mag ik je noemen lieveleuke
Schreeuwend van de daken
Of juist heel normaal en achteloos
‘Hallo, dit is hem dan’
Bij een receptie, restaurant, bij nieuwe mensen
In de karaokebar, tegen een buur in de lift
Wanneer gaan we?
Naar een boshuisje, sauna, museum Fenix
Een eiland in het wad, een berg in Europa
Wanneer mogen we plannen maken?
Voor verder dan een week
Wanneer zijn vakanties en toekomsten Geen luchtkastelen meer?
Wanneer gaan we naar jou?
Wentelend in normaliteit en huiselijks
Met boeken lezen, boer zoekt vrouw
Een etentje, handjes schudden, een liedjesnacht
Wanneer maak je een stamppot, schenk je wijn
In een van die mooie wijnglazen met voet
Voor je huis op het bankje
Wanneer mag ik je troosten?
Je verdriet kussen, vasthouden in je slaap
Een haventje zijn
Voor geborgen dobberen
Met tranen of met verslagenheid
Om dat wat niet meer is
Wanneer mag ik je laten zien
Dat ik grootmoedig kan zijn
Wanneer worden we voor heel lang?
Met ontdekken, nietsaandehand
Dreutelen, ruziemaken, avontuur, steelse blikken
Wanneer wordt het jij en ik tegen de wereld
Gister het liefst
Of eergister zelfs
Maar dan toch alsjeblieft ergens tussen
Jouw moed en mijn ongeduld