Nee! Ik pluk geen roos

Hij is er weer. De week. Die ene met veel boos en weinig geduld. Bij het wakker worden kon ik alleen maar denken: ‘Waarom dacht ik dat ik om 06.00 ging hardlopen?!’ Ik had zelfs nog speciaal ontbijt gemaakt gister, want dan kwam ik niet in tijdnood als ik wilde sporten. ‘ROT OP met je voornemens. Ik wil blijven slapen’, is het voornaamste wat ik nu denk. Misschien heb ik wat energie nodig met eten en koffie. Maar waarom moet ik elke ochtend weer een banaan en appel snijden voor ontbijt? Telkens weer die percolator vullen, en – zucht – de vaatwasser moet ook uitgeruimd. Waarom nu toch?! ik wil niks hoeven. ‘Eerst maar douchen, lekker wakker worden, mmm’. Een zwak stemmetje, ingegeven door restant aan oestrogenen, probeert me een beetje zonnige moed voor de dag in te praten, houdt me een worst voor met lekker geurige douchegel en verkikkerend effect van een douchebeurt, maar de oestrogeendip overheerst: ‘Wat een moeite ook weer, al dat water – zucht-, zepen, scheren, afdrogen, en dan weer bedenken wat we aan moeten’. Ik ben nu al moe en de dag moet nog beginnen.


Je zou het niet zeggen, maar met de dagstart zoals hierboven had ik eigenlijk nog niet eens in de gaten dat de herfst van de cyclusmaand zich had aangediend. Ik was me nog niet helemaal bewust van de druilerigheid, regen, vieze platgetrapte bladersmurrie en het grijze wolkendek. Denk je bij herfst aan mooie oranjeroze luchten, goudgele bladeren, nazomeravonden op terras? Neen, zet maar uit je hoofd. De herfst van de vrouwencylcus heeft niks met dit fijne knusse plaatje te maken. Dat hij zich had aangediend werd me snel duidelijk in de vorm van een telefoon die ik liet vallen in de fietsenstalling in Delft. Ik liet hem even liggen omdat ik aan het pogen was mijn fiets uit het uitrekbare bovenrek te halen. Het stuur van de fiets ernaast zat gehaakt in de mijne, handremkabels zaten om het stuur van de andere. Eenmaal los trok ik blijkbaar alsnog de andere fiets mee en die sleurde ook weer een fiets mee, waardoor uiteindelijk drie fietsen als een soort domino omlaag denderde. Wel godverdegodver, die moet ik zeker nu weer omhoog takelen. Oh ja, mijn mobiel lag er nog. Hij was met zijn gezicht op de vloer gevallen en werd nu versierd met zo’n 15 kleine sterretjes op het gelaat. Wanneer was mijn nieuwe abonnement ook alweer ingegaan? Afgelopen april, welja joh, ik hoef nog maar slechts 22 maanden met dit ding te doen. Ik voelde zoveel kwaadheid dat ik het hele apparaat eigenlijk kapot wilde smijten tegen de muur. Met een grom stopte ik hem in mijn zak (‘that’s a problem for future me’) en wierp een boze blik naar de man die me verbaasd aankeek. WEES MAAR BLIJ MET JE TESTOSTERON EN JE PIEMEL. Gelukkig riep ik het niet, ik heb nog wel decorum, toch een opluchting. 


Op werk viel een oortje met irritant vrolijk liedje van Lily Allen uit mijn oor toen ik richting ingang liep. Hij viel ergens in een bosje in de groenstrook, waar een collega haar fiets had neergezet en van alles uit haar fietstassen aan het laden was. Ik moest als een kleuter langs haar op mijn hurken gaan zoeken. Ze moest lachen, ik had geen zin om uit te leggen wat ik aan het doen was, kon het enkel opbrengen het gevonden oordopje omhoog te houden met iets wat door moest gaan voor een glimlach. Oke, laptop opstarten, alle benodigdheden voor de dag uit mijn tas, bij de aanblik van de sterretjes-mobiel werd ik weer kwaad. Ik had meer koffie nodig, zoveel was zeker. Eerst even mijn lunch wegleggen in de koelkast. Ik voelde even het zwakke stemmetje iets van trots uitspreken dat ik het nog voor elkaar had gekregen vanmorgen twee gezonde voedzame wraps te maken voor lunch. Werd snel teniet gedaan doordat er allemaal bakjes en flessen drinken uit de afdelingskoelkast vielen. Wat ik ook deed, het paste niet meer op een manier waarbij de koelkastdeur ook daadwerkelijk dicht kon. De koelkast drong me een tetrisspel op met bakjes en flessen en eindigde in een grommend dichtduwen van de deur. Waarom werk ik in zo’n armoedige werksetting?! Met koffievlekken op de vloerbedekking, waar we zo’n kuttige kleine koelkast hebben en een lunchruimte die de ‘pantry’ wordt genoemd. Van sommige woorden word je sowieso van nature kwaad. ‘Pantry’ is er zo een. Op mijn vorige werk was er een soort roelstoelvriendelijke opgang die een ‘talud’ werd genoemd. Daar ging ik ook van koken. 


Eenmaal achter de laptop zag ik dat twee cliënten me hadden gemaild met het bericht dat ze hun afspraak wilden afzeggen. Had ik ze niet al 385 keer gezegd dat dit via het secretariaat moest? Met een gezucht alsof ik een wee wegpufte haalde ik mijn vriendelijke doch duidelijke preek van stal dat ze dit in het vervolg beter via het secretariaat konden doen, maar dat ik voor nu een nieuwe afspraak voorstelde. Verder stond er deze ochtend vreemd genoeg geen cliëntafspraak in mijn agenda. Een zeldzaamheid, maar zelfs dát maakte me boos. Nu moest ik weer zelf bedenken waar ik mijn tijd mee ging vullen en dat kwam waarschijnlijk neer op allerlei lang uitgestelde stomme klussen doen. Ondertussen dwaal ik af naar de man. Dat maakt me even blij: zijn gegrinnik, lieve woorden, mij missen, klein fantasietje over een leven met hem, maar dan meteen ook weer kwaad als ik denk aan de uitspraak van een tante van een vriendin (of had ik het gehoord in een podcast? Hoe dan ook is het waar en resoneert het): het leven van een vrouw bestaat uit wachten. Wel godverdegodver. 


De herfst. De geschikte regenkleding voor deze dag, om maar in de beeldspraak te blijven, zal bestaan uit oortjes in tijdens administratieochtend, fijne muziek die níet te vrolijk is en evenmin te weemoedig (delicate balans), kwaadheidsvoiceapp naar Johanna want daar landt het lekker en samen kwaad zijn doet lachen, de aanstekelijke energie van andere collega die net terug is van verlof en blij is weer te kunnen werken, en het vooruitzicht van vanavond lezen in Mensje van Keulens nieuwste dagboek: ‘omgeslagen dagen’. Tenminste iemand die het nog bonter maakt.