Waar ben je nou?

Iedereen kent het wel op enig moment in z’n leven. En anders… Prijs uzelve gelukkig. Het theatrale hollywoodbeeld is er eentje van wekenlang in bed liggen, omringd door lege pizzadozen. Telefoontjes van bezorgde vrienden worden genegeerd, en op enig moment is er een interventie van één van hen die er korte metten mee maakt. Het heeft een passief imago van zwelgen en treurnis, soms is het zelfs pathetisch. Het leven wordt gewoon tijdelijk gepauzeerd en behalve dat iemand steeds meer gaat stinken, en het er thuis uit gaat zien als een vuilnisbelt, heeft dat niet echt gevolgen. Tsja.

Een gebroken hart, luduvudu, liefdesverdriet is, dit imago ten spijt, wat mij betreft vooral héél veel zwaarte meezeulen in telkens een andere gedaante, terwijl het leven helemaal niet op pauze kan, maar gewoon doorgaat.


In de praktijk hebben de meeste mensen niet echt de luxe om zich te wentelen in hun eigen tranendal en vuiligheid. Misschien maar beter ook. Liefdesverdriet wordt bij de gewone mens gewoon onder de arm genomen naar werk. Daar laat het zich even wegzetten in de kast terwijl er dan wordt geprobeerd om empathie op te brengen voor andere mensen, zoals collega’s. Je praat over dingen zoals het zieke kind van de een of het weekend van de ander terwijl je ondertussen aan de perfecte tanden en zoete woordjes van je ex-geliefde denkt. Als psycholoog in de GGZ kom je met een gebroken hart best goed uit de wedstrijd (‘jeetje, het kan inderdaad behoorlijk veel erger’), bij de patiënten met veel noten op de zang, voor wie het nooit genoeg is, moet je maar hopen op kroketten in de pauze om het een beetje vol te houden. Voor je het weet ga je nog uitroepen: JA HALLO, IK HEB HET OOK ZWAAR.


Oh ja, de pauze, daar komt de luduvudu gewoon weer tevoorschijn. Inmiddels niet meer ferm onder de arm, maar eerder als een soort sloopkogel aan het been, de tred nogal vertragend. Die sloopkogel wordt groter als collega’s de pauze vullen met verhalen over de naderende gezinsvakantie. Of, erger nog, met verhalen over exotische reizen met hun lief. Het is een soort pokon voor het liefdesverdriet: Jij bent alleen. Jij gaat niet met vakantie de komende weken. Iedereen hier aan de lunchtafel heeft een partner. Jij moet doorwerken.


Er is nog geen moment geweest dat ik zwelgend en omringd door lege verpakkingen en etensresten in bed lig. En ik betwijfel eerlijk gezegd ook of ik in het script leef waarin een vriendin op een gegeven moment zou aanbellen en met kordate opgeruimdheid volgesnoten zakdoekjes zou opruimen. Mijn liefdesverdriet is bepaald geen hollywood, maar akelig banaal. Tijdens een treinrit bijvoorbeeld in de vorm van gedissocieerde dagdromen over alle plannen die er waren. Of zijn. Of waren. Of zijn. Of waren. Of zijn. (Oke weer twee uur voorbij). Het is er in de vorm van idiote productiviteit op werk en de sfeerclown uithangen in teamoverleggen, want fijn als mensen om me lachen. Een schamele vervanging voor liefkozerij. Het is er in het tot vervelens toe over hem praten en in een gesprek télkens een bruggetje kunnen slaan naar een verhaal over hem; vertel me iets over insectenspray, een nieuwe bikini of een vakantiebestemming en ik ben er in 2 stappen.


Soms is compaan liefdesverdriet er in een interne boze rant waardoor ik m’n bananenbrood vergeet uit de oven te halen en het me aangebrand staat uit te lachen. Boos want hij is vast lekker aan het festivallen en helemaal geen ene tyfustering aan het uitzoeken. Hij laat mij zitten, domme blogs schrijvend. Het is er evengoed moeiteloos in huilen bij Maaike Ouboter, Stef Bos en die ene van The Cranberries. Alle dopamine uit de liedes trekkend, weer even terugdenkend aan dat ene moment, en dan nog eens en nog eens. Ik bekijk bij herhaling foto’s van ons, welja joh, en luister voiceapps terug. Het is er in piekeren over hoe hij dit allemaal zal aanpakken, of dat hij zich vooral nog te pletter drinkt en rookt. En dan weer beseffen: oh nee, we namen afscheid, ik zie hem misschien gewoon nooit meer. Het is er in zijn handdoek laten hangen van de laatste keer dat hij hier was, zijn boek langzaam lezen om hem iets langer vast te houden. Het is er in obsessief speuren naar een teken van leven. Is hij online? Op Linkedin dan? Zal hij op dat ene festival zijn? Ken ik mensen die daar zijn? Wat ik er aan heb om te weten dat hij op een moment van de dag op zijn telefoon zat net als iedere sterveling, ik heb geen idee.


‘Zal ik toch iets sturen?’ Een gedachte die elke dag wel een keer paseert. NEEN. Ik wil volharden. Proberen los te laten. We wilden het allebei niet, maar blijven vasthouden werkte al duizend keer niet. Het zal me lukken. Het zal me lukken. Het zal me lukken. Je hebt voor hetere vuren gestaan. Weg die telefoon.

.

.

.

Snikken

.

.

.

Is hij online?