Stolp
Het is zondagochtend, er is geen wekker, de zon zorgt voor meer dan 25 graden en de dag heeft gezelligheid in petto. Optimale omstandigheden, maar of ik meedoe met de dag zal mij benieuwen. Ik voel me een grijs dik wolkendek.
Ik vier vandaag met mijn familie mijn verjaardag. Ik houd enorm van mijn verjaardagsfeestjes, in dat opzicht word ik maar niet ouder dan 6. Ik vind slingers leuk en ik hou er ook van dat mensen kadootjes voor me kopen of kaartjes schrijven. Kun je oppervlakkig vinden, maar het idee dat vrienden en familie zich thuis op hun bank afvragen wat ik leuk zou vinden om te krijgen en dan nadenken en iets kiezen vind ik een daad van liefde. Dit jaar had ik geen zin om grootse borrels of etentjes met vrienden te bedenken, dus ik vier met taart en lunch met mijn bloedverwanten.
Ze zijn vreselijk lief die ouders, broer en zus van mij. Complimenteren zich zoals altijd suf om mijn appartement. Ik vind het vertederend, maar vandaag denk ik: ‘tsja, het is niet van mij. Ik huur het. Dus dan telt het niet echt toch?’ Soms loop ik in diepe tevredenheid door de 70 m2 en wentel ik me in de knusheid, op andere momenten vind ik het lijken op villa kakelbont, puberaal, door al die kleuren. ‘Onvolwassen!’ roepen de breakfastroomgreen en picturegalleryred geverfde muren. Ze weten dat ik in mineur ben. Liefdesverdriet, of geef het een naam. De rap florerende liefde moet namelijk even op pauze. Even wat tijd voor bezinning en meer van dat soort verstandigs. Alsof je baas zegt dat je nog allemaal vrije dagen moet opnemen voor 1 juni, maar je zit lekker in het werk en het is druk, dus geen zin. Maar je moet.
De bedruktheid voelt extra vervelend in combinatie met de duizend graden buiten. Vandaag hoorde ik in een podcast een vrouw zeggen ‘ik houd van wisselvallig weer. Bij mooi weer moet je het allemaal zo waarmaken’. Ik snap deze redenering helemaal. Ik heb ook nog eens geen tuin, en dus voel ik me bezwaard dat ze naar mij moeten komen. Beetje in een flat hangen. Een belachelijk bezwaar, het is immers mijn verjaardag. Toch zeg ik sorry. Ze willen mij ondertussen helpen met de kleinste klusjes, zoals het afwassen van 1 bordje dat we te kort komen voor de taart. De complimentendouche en alle ijver in de keuken is een beetje ter opvrolijking. Maar het komt allemaal niet zo erg binnen. Ik zit onder een stolp. Alles wat ik hoor klinkt dof en wat er uit mij komt is evengoed tam, mat en vlak. Ik voel me de hele tijd huilend, maar het lukt niet. En nu dus ook schuldig naar lieve familie. Ik beantwoord vragen, ontvang knuffels, geef m’n nichtje klusjes in de keuken, bak tosti voor de neef, snijd een citroenricottataart aan, schep panzanella in een schaal. Allemaal goede ingredienten. Maar mijn dik grijs wolkendek laat niet zoveel zon door.
Ook app ik met mezelf. In plaats van met de man. ‘Even geen contact’. Het hoort bij de bezinning, zo spraken we af. Dit blijkt in de praktijk erg lastig want ik denk duizend keer per dag aan hem, aan iets dat ik wil vertellen, zoals dat ik weet dat hij dit ook moeilijk vindt. Ik werp blikken van verstandhouding over van alles naar een denkbeeldige versie van hem, vraag me ineens af of hij ook weleens taart bakt. Dus app ik naar mezelf, in een treurige poging de wervelende innerlijke onrust, onzekerheid, verlangen ergens kwijt te kunnen. Wie bedenkt zo’n radiostilte?! Ikzelf klaarblijkelijk, in een vlaag van verstandigheid en zelfoverschatting.
Zo voelen cliënten zich ook vaak, denk ik ineens als ik ‘s middags als een schim naar buiten loop. Ik moet een pakketje wegbrengen en tie-wraps kopen. Een vreselijke saaie boodschap die uitstekend past bij mijn staat. Op een hete zomerdag voor tie-wraps van 0.75 ct in overvolle Action in de rij staan. Het is een filmhuisfilmachtige scène. Hol, leeg, niks voelen, bedrukt misschien, maar vooral afwezigheid van positiefs en negatiefs. Het is aan de orde van de dag in de behandelkamer.
Ik ken deze staat niet zo goed. Ik voel meestal één of meer specifieke emoties heel erg sterk, maar dit is nieuw. Ik weet me er slecht raad mee, want waar kan ik nu op varen? Ik kan luieren op m’n balkon, ik kan slapen, naar een zondagmiddagborrel bij vrienden, een boek lezen, m’n parasolstandaard met tie-wraps aan balkonreling bevestigen, een ei bakken, een blog schrijven, ergens buitenshuis in het gras gaan liggen, mezelf maar weer eens appen, Job aaien, een derde taart bakken, maar het levert allemaal hetzelfde op: een schouderophalen, een maaktmeniksuit, een autopiloot.
Onder de stolp zit in een verpletterend missen.