Pannenkoek

Ik kreeg een plant.

Dat heb je soms. Voor mij op zich bijzonder want de meeste mensen laten dat uit hun hoofd als ze me een beetje kennen; mensen en dieren voel ik best wel aan. Planten niet.


Deze gift was er niet zomaar een. Ik kreeg hem van een dierbare cliënt die ik lang heb bijgestaan. Hij kwam van ver. Een jonge gast die de waarde van het leven, zíjn leven, van zichzelf als mens niet kon voelen. Vlak, krassend, bozig kwam hij binnen. ‘Laat mij maar doodgaan’. Ik kreeg hem in behandeling aan het einde van mijn re-integratie. Ik had net een burnout achter de kiezen, werkend in een nieuw team, relatie over, net weer in mijn eentje wonend sinds jaren. Was ik in de kracht van mijn leven?! Mwah. Been better.


Zelf dus wat onvast op de benen, kon ik met deze hevig wankelende ziel goed overweg. Zijn appèl en zijn geflirt met de dood, soms de flirt gevaarlijk voorbij, kon ik handelen. Toegegeven, ik heb er weleens wat nachtjes slecht van geslapen, maar de werkrelatie was hoopgevend als basis voor verandering. Een bepaalde datum zal nog wel even bij me blijven, want toen was het menens. Het leven liet hem echter nog niet los. Een hobbelige weg werd het, maar de stip op de horizon werd helderder, hij liet zich bijstaan, zich evengoed terugfluiten, kon steeds vaker zelf lopen, zijn backpack met de juiste uitrusting werd voller en hij kreeg hier en daar ook ander gezelschap. Soms voor de gezelligheid, voor verzorging, afleiding of om hem te leren hoe om te gaan met al die vertyfte hindernissen in het leven.


In de loop van de tocht, die in weerwil van het woord ‘tocht’ toch vooral zittend plaatsvond in een sfeerloze kamer met TL-licht, ontstond er een running gag tussen ons. De kamer van onze sessies was net als alle andere kamers in het gebouw tamelijk sfeerloos. Groene vloerbedekking, een paar stoelen, een bureau, computer én.. één klein plantje. Het was natuurlijk niet de bedoeling dat we de kamers gingen inrichten met persoonlijke spullen want ze waren bedoeld om lekker te flexen. Iedereen moest er kunnen zitten. Deze plek had ik echter min of meer verworven. Een van de kleine winstpakkers van een burn-out; ‘deze vrouw moeten we niet de hele tijd verplaatsen, straks stort ze wéér in’.


Een collega gaf me als kleine daad van verzet tegen dit karige decoratiebeleid een plant voor op ‘mijn’ kamer. Een miniatuur pannenkoekplant. Het bleek zo eenvoudig nog niet om in deze omgeving een plant goed te houden. Het is niet dat ik een heel oerwoud in mijn kamer van water moest voorzien, en hij stond bovendien de hele dag voor mijn neus te prijken, maar alle valuecaremeldingen van het patiëntdossier, en vooruit, ook de patiënten zelf, maakten dat ik de plant vergat. Bij veel mensen die ik behandelde werkte het anders, die zagen dit kleine sfeermakertje meteen. Hoeveel van hen er bij intake direct iets zeiden over dit plantje, het even aanraakten, ik heb niet geteld maar ik denk 80% van de clièntele. Ik zou toch graag eens een onderzoek doen naar behandeling van mensen met persoonlijkheidsstoornissen en hechtingsproblemen en het effect van een plantrijke/groene omgeving. Is misschien wel een voorwaarde dat je ze als therapeut niet laat verdorren, want dat is prognostisch misschien niet zo gunstig voor een bloeiende therapeutische alliantie, maar ik vermoed dat het een gevoel van veiligheid en ontspanning oproept. De groene vloerbedekking telt overigens niet, zeg ik alvast aan de directie.


De jonge sombere ziel merkte de mini pannenkoek ook op. Elke week als hij kwam poerde hij even met zijn vinger in de aarde en begon hij te lachen. De eerste paar keer was zijn conclusie steevast dezelfde: ‘ja Anke, even water geven’. Ik had hem dan al iets te laat uit de wachtkamer opgehaald, dus dat ik vergat de plant te wateren paste perfect in het plaatje van mij als menselijke (lees: ietwat chaotische) therapeut. Prima hoor, ik doe graag mee in deze act. Zijn veelbetekende blik wanneer hij de droge aarde bevoelde beantwoordde ik door braaf een beker watertje te halen en de goede plantenmoeder te spelen. Het effect na een paar keer was dat ik dit uit mezelf al deed als ik hem in mijn agenda zag staan. Een half jaar na de gift is het plantje nog in leven. Net als deze kerel. Niet slechts levend, bloeiend zou ik willen zeggen. Hij weerlegde mijn zorg over lichte bruine randen bij sommige blaadjes. Stelde me gerust dat het een lastig plantje was, dat het soms leek of hij het loodje ging leggen, maar toch veel aan kon. ‘En kijk, er komen ook twee nieuwe takjes, het gaat goed hoor’. Goh, waren de rollen nu zomaar even omgedraaid. Het was alsof hij zichzelf toesprak. De symboliek ontging ons beiden niet.


Dus wat had hij meegenomen op de laatste sessie? Een zelf gestekte grote pannenkoekplant. Dikke takken, vele grote bladeren, noodzakelijkerwijs opgebonden met steunende stokjes en een touwtje. Hij had hem als stekje van zijn moeder gekregen, en zelf jaren verzorgd, grootgebracht. Hij had meerdere verhuizingen overleefd. Was ook bijna gestorven, de dode tak was nog te zien in het midden. En nu gaf hij hem door. Ik schoot al een beetje vol toen ik hem zag in de wachtkamer, met de plant in een tasje. Eenmaal op vaste honk in de kamer benoemde hij dat hij emotioneel werd van het moment en ik had hetzelfde. Iemand die dof, onthecht en niet voelend binnen kwam, nu bloeiend tegenover me gezeten, met heel persoonlijk plantenkado, en een paar waterige ogen van ontroering. Een mooier kado als therapeut is er eigenlijk niet. Misschien wordt het nog wat met mij en de planten, met de verinnelijkte woorden van mijn plantencoach.