Deksel

Hij is er weer. Mmmmm. Regelmatig komt hij voorbij, en met de tijd krachtiger en intenser. Ik wil mezelf niet kwellen door continue mijn neus er middenin te steken, maar het ruikt zo gódvergeten lekker. Als ik me echt niet meer kan bedwingen sta ik het mezelf toe. Eventjes maar. Ik sluip naar het fornuis en til het deksel op. Gluren wat er voor heerlijks staat te pruttelen.


Ogen gesloten, geur opsnuiven, laten inwerken, en dan de associaties. Beelden van lange tafels vol eters in zachte zomeravonden, muziek, blote voeten in het gras van een boomgaard, iedereen schept borden vol en is een beetje dronken al, er klinken schaterlachen, er is veel wijn, er zijn zwierige jurken, en kussen van de liefste. Watertandend snel die pan weer toedekken.


Geduld is niet mijn sterkste kant en ik twijfel of ik het af zal leggen tegen de gemiddelde 3-jarige in de beroemde marshmellowtest. Iedereen om me heen zal mijn ongeduld en impulsiviteit kunnen beamen. Discipline heb ik daarentegen ook, en gooi ook nog maar wat strengheid en hoge normen in de mix. Een bij tijden kwellende combinatie van karaktertrekken, maar zonder deze akela-eigenschappen had ik de dag momenteel doorgebracht met deksel in de hand. Als een klein kind ruikend, snuivend, en voortdurend stiekem proevend, me ondertussen onderdompelend in de parallele wereld die het oproept. Niet meer echt aanwezig in het nu, volledig opgeslokt door hetgeen waar ik naar verlang. Onhandig wel, voor je het weet is bovendien die hele pan leeg terwijl de wereld ondertussen aan je voorbij is getrokken.


Ik leef in de basis gewoon niet graag met de deksel op de pan. Verheugenis, voorpret, maar evengoed weemoed en nostalgie vind ik vaak niet onderdoen voor de daadwerkelijk maaltijd. Ik ruik en snuif en mijmer graag. Als kind al vond ik het vreselijk als ik lekkere trek had en ik mijn lievelingskoekjes levendig had gevisualiseerd, maar mijn moeder haar ‘er staat nog een bord spruitjes in de koelkast’-toneelstuk opvoerde. Ik kan nog altijd het watertandende gevoel oproepen als kind van de koektrommel en droppot in de trapkast in ouderlijk huis. Maar ouders hebben toch de neiging, helemaal in bepaalde generaties, om hun kinderen af te leiden van al dat innerlijk gekwijl.


Als ik me eens laaf aan die geur en de deksel optil zie ik in mijn specifieke pannetje meer dan het gras en de wijn en de lange tafels met mensen. Ik zie een samen wakker worden, met een kat op bed en getolereerde kattenharen. Want nee dit gaat niet louter over pannen en eten. Ik zie de gezamenlijke ontroering bij Italiaande bioscoopfilm. Uitwisseling van boeken en samen tegen elkaar aanhangend lezen. Huiselijk balkonhangen zie ik ook, schuldbewuste sorry’s na onbegrip en ruzie, met omhelzingen en brieven. Ik zie twee mensen met oneindige nieuwsgierigheid naar elkaar. Een samenzijn als thuiskomen. Vertrouwd, onderhoudend, prikkelend, knus, zacht. Ik zie het schateren bij die ene mooie plek met lelijke naam daar aan de waterplas. Ik proef al het lekkers van het heerlijke restaurant maar vooral de lol bij karaokebar erna. Ik zie een hotel voor me in Groesbeek, loom dutjes doen in een spa en te vroeg aan de wijn in de sauna, alle gezondheidswinst weer verdampend. Ik zie iemand die naar me kijkt zoals er niet veel is gekeken. Ik zie liefdesbrieven die me nog nooit eerder zo geschreven zijn. Ik zie een intens kinderlijk verheugen op de eerste omhelzing bij hereniging, bijna als fantoomarmen die om me heen worden geslagen, zo echt voelt het. Ik zie de kinderlijke pogingen een gesprek af te sluiten, bijna klassiek met ‘nog één dingetje zeggen’ en dat de ander toch ook nog iets wil zeggen. En dat het zo doorgaat. Wel duizend keer. Ik zie ik zie wat heel veel mensen nog niet zien, maar wij wel.


Mezelf maar afleiden van het hunkeren, uit de keuken blijven, geduldig wachten tot het diner voor twee gereed is? Het is te kwellend als ik blijf ruiken maar negeren is ondoenlijk. Af en toe even een hapje? Even dagdromen bij de zoete tonen in de lucht? Ik plof bijna uit elkaar van de heerlijke voorpret, maar het maakt ook dat de tijd langzaam gaat. Ik ben niet bang dat ik geen trek meer zal hebben. Dit gerecht verveelt niet en is beloftevol gebleken. Maar hoe de tijd te doden? Of beter nog, hoe in jezusnaam de tijd te leven?