Ik hoefde dit keer in ieder geval niet mijn eigen laptop mee te sjouwen. Na een mailtje of 300 is geregeld dat op de locatie waar ik vandaag moet zielenknijpen eindelijk een computer beschikbaar is. Op het vorige exemplaar draaide vermoedelijk nog DOS en hij (of zij, waarschijnlijk) pruttelde een half uur per muisklik. Een fatsoenlijke computer scheelt alweer op een dag als deze.

‘Een dag als deze’ is een dag dat ik een collega moet inwerken. Los van het feit dat inwerken lastig is als je zelf niet echt bent ingewerkt, doe ik zulks uberhaupt liever niet als ik me nog niet zo vaardig voel. ‘Hoi, ik heb net mijn eerste wedstrijd getennist, maar geen probleem om Nadal te trainen uiteraard’.
Vanaf het moment dat het inwerkmailtje onder mijn aandacht kwam, nestelen zich al snel enkele  vertrouwde scenario’s in mijn hoofd, met strekkingen als ‘nu zal ik door de mand vallen’, ‘ze zal heel geleerd en slim zijn en alle protocollen kennen van de meest exotische stoornissen’ en cherry on top ‘ze zal me moeten rapporteren bij de tuchtcommissie omdat ze de grootste fouten ontdekt in mijn dossiers’. Imagine my joy.

Gelukkig valt de inwerkdag vlák voor eerste ongesteldheidsdag, wat betekent dat de wereld gehuld is in een grijze sluier, bomen allen tot treurwilgen lijken getransformeerd en elke hallo als vaarwel klinkt. Daarbij moet ik aan het begin van de dag de boyfriend gedag zeggen. De boyfriend die gaat wandelen aan de rand van de wereld waar t-mobile geen masten heeft neergezet. Lekker een week niet bellen, geen lieve woorden, geen grapjes om mijn drukmakeritis, geen knuffels en plaags en discussies. Hij zet me af op het station, we kussen even onsmakelijk ten overstaan van het 7-uur ‘s ochtends treinreispubliek dat nog niet klaar is voor tongen out in the open en dan staan we nog in een omhelzing waar ik het liefst de rest van de week wil blijven. Zo eentje waar je een beetje in verdwijnt. Zo’n ‘grote man beschermt vrouw’ omhelzing. Zo’n ‘stil maar meisje ik kom snel weer terug’ omhelzing. Zo’n ‘dit is zelfkwelling want je moet zo in de deprimerende sprinter’ omhelzing. De NS klok kent echter geen genade en na een vrolijke ‘doei chick, tot volgende week’, en een kleine knijp in mijn bil ren ik in de armen van de trein waar de gezichten van de medereizigers, zoals de tijd van de maand voorspelde, mensgeworden grijze treurwilgen lijken wiens monden allen vaarwel ipv goedemorgen zeggen.

Na een half uur sip ik van mijn tweede bak vieze koffie uit de huisartsenkamer, heb ik me door een paar goedemorgens heen geworsteld en zit ik, tamelijk wiebelig, achter mijn computer. Die caffeïne is mogelijk geen goed idee. Ik voel me opgejaagd. Er zit een soort brok in mijn keel en ik ben bang dat ik vandaag op de schoot van mijn cliënten kruip en per ongeluk de zakdoekjes uit hun handen gris omdat ik me zieliger, stommer en incompetenter voel dan zij. Potverdorie, ik probeer mezelf toe te spreken; ‘normaal doen psych, je hebt nog niks moeten doen vandaag, waarom voel je je incompetent?Je bent goed in je werk en gewoon een beetje hormonaal. Nothing on the hand’.
Ik recht de rug, probeer me te concentreren op de dingen in het hier en nu, werk wat taken van de to do lijst af en zie de klok vanuit de ooghoek langzaam richting half 9 gaan.

Op het moment dat ik op weg ga voor toch maar een derde bak koffie en in het voorbijgaan in de spiegel even een pukkel onder mijn neus inspecteur, hoor ik de receptioniste zeggen ‘Oh, die psycholoog, zij zit hier om de hoek geloof ik’.
En daar staat ze dan. In de deuropening.
De nieuwe collega. En ze heeft een ‘ik weet alle protocollen uit m’n hoofd dus weet nu sowieso al veel meer dan jij en al mijn behandelingen zijn succesvol’ hoofd. Denk ik.
This is gonna be a loooong day.