Twee weken terug kocht ik een boek van Brené Brown. Het heet ‘de moed van imperfectie’. Dat moet ik echt eens gaan lezen op een geschikt moment, bedacht ik me. Een tijdje terug zag ik haar TED-talk op internet en ik vond elk woord ervan onovertrefbaar herkenbaar.
Ik heb het boek in de trein even kort opgeslagen op een willekeurige pagina en wederom: elk woord, nee elke letter.  Herkenbaar tot op het bot. Het is een heel fijn typ, die Brene (afgezien van haar gekke naam) en ze behandelt op heel toegankelijke manier allerlei thema’s, zoals perfectionisme, hoe moeilijk kwetsbaarheid is, schaamte, jezelf zien door andermans ogen, jezelf van alles opleggen ‘omdat dat hoort’, omdat je dat hebt bedacht, omdat je zo wilt zijn.

Misschien had ik het ietsje eerder moeten lezen bedacht ik me zojuist, bijvoorbeeld meteen twee weken terug, 1 nanoseconde nadat ik het kocht, of direct toen ik uit de baarmoeder kwam. Het had wellicht een hoop getob gescheeld.

Ik ben altijd wat jaloers (daar heb je het al) op mensen die zeker zijn van hun zaak, die zichzelf nooit echt in twijfel trekken, en gewoon hartstikke blij en tevreden zijn. Met wie ze zijn, met wat ze doen. Mensen die het niet uitmaakt wat anderen vinden. Mensen die kunnen denken ‘Ik doe gewoon graag elke dag dertig radslagen door mijn straat. Ik vind dat fijn. Misschien vind jij het wel raar, dat snap ik ook wel weer, maar ik blijf het toch doen, want het geeft me zo’n plezier’. Of mensen die een heel degelijk zitverjaardagsfeestje geven waar een aantal hele hippe hipsters komen, maar gewoon zonder blikken of blozen hun truttige toastje met brie presenteren en degelijke grotemensengesprekken voeren. Die mensen houden gewoon van brie en van zitten en beheerstheid en gaan ervan uit dat hun hipstervrienden hen, ondanks voorkeur voor truttigheid, nog steeds leuk vinden.

Ik zou zeker wel dertig radslagen door de straat maken. Maar als zeer culinaire vriendin komt eten word ik al een beetje nerveus wat ik haar kan voorschotelen. Een gewoon pastaatje is eigenlijk een no go. Ik heb alleen amper tijd om iets ingewikkelds te bedenken. Uiteraard wring ik me in bochten, zoek een recept in de trein, sta ’s avonds na een eetdate met andere vriendin nog de betreffende maaltijd voor te bereiden voor de dag erna. En voila: een overheerlijke stoofschotel. Niet dat ik er van kan genieten, want het voelt helemaal niet ontspannen. Die vriendin zegt vervolgens dat ze het zo fijn vindt om lekker bij mij te eten omdat ze wegens lange werkdagen de hele week al soep uit blik eet.

Op werk dient zich een pijnlijke situatie aan. Er is een vergadering met een flinke club collega’s. Een deel van die collega’s is uitverkoren om mee te doen aan een tof project. Het is het paradepaardje van mijn werkgever. Een clubje anderen, waaronder ik en een collega (we noemen haar Truusje) blijven achter.  Ik en Truusje balen big time. In de vergadering bespreken we een aantal regelzaken voor het gouden project. De uitverkorenen moeten dingen overnemen van de achterblijvers. Het is pijnlijk. En genant. Ik voel me boos en gekwetst. Ten overstaan van iedereen wordt de achterblijfstatus nog eens ingewreven. En iedereen is zich daar aardig bewust van. Maar ik en Truusje doen profi en zakelijk, laten niks merken en heffen de kin ietsje op. Niemand heeft gezien dat we gekwetst zijn. Ha! Thuis voelen ik en Truusje ons klote. Onze collega’s hadden ons vast willen steunen als we hadden gezegd dat we baalden.

Ik heb een nieuwe vlam sindskort. De man eet vooral biologisch. ‘Bio, maar niet te moeilijk’, zegt hij zelf. Jaja, hm, even denken. Wat zou hij daarmee bedoelen, de volgende zaken in ogenschouw nemende:
De ekoplaza is niet op de route en er zijn er wellicht maar 2 van in een stad tegenover 308759685 Albert Heijns. Dat is dus moeilijk. Ook is de ekoplaza duur. Dat is ook moeilijk. Van 2 onbespoten pompoenen van de bioshop kan ik bijna een paar fijne Nikes kopen. Vers brood koop je natuurlijk niet in de ekoplaza, maar bij de bakker. Geen idee hoe full-time werkenden elke dag een vers bakkersbroodje hebben, want ik zit al in de trein voordat de bakker zijn deuren opent en eenmaal thuis van werk is de bakkerij hartstikke leeg dan wel dicht. Dus fiets ik in mijn pauze naar het Vlaamsch Broodhuis.  Waar het brood even duur is als een pakje sigaretten (ik geloof dat ex-rokers pas 5 jaar na het stoppen hun aankopen niet meer uitdrukken in eenheden sigarettenpakjes). Ik vind het hartstikke leuk om iets lekkers te kopen voor iemand. Voor vrienden, familie, een nieuwe leuke vent. Maar zoals ik met het grootste gemak naar biowinkel en fancy bakkertje fiets, zo gemakkelijk zet ik deze kerel niet een casinowit en sterk gesuikerde euroshoppermuesli voor.

Dus. Bij deze, zal ik mij moedig tonen. Ik ben Anke. En ik ben imperfect. Ik ben psycholoog, maar vind eigen gevoelens vaak best lastig. Ik word onzeker van mensen die duizendpoten zijn en heel veel triviantvragen weten. Ik geef niks om biologisch eten. Het is vast lekkerder, maar ik proef het amper. Want ik heb niet een erg verfijnde smaak. Zo eet ik met gemak achter elkaar 10 cracottes met smeerkaassambal zonder dat het gaat vervelen. Ook ben ik stikjaloers op de uitverkoren collega’s en nog steeds gekwetst dat ik niet aan het project mag meedoen. Ik eet graag een mexicano pindasaus, ook al bestaat dat waarschijnlijk uit paardenoor, koeienstaart en varkenskont samengeperst tot een ondefinieerbare vleesstaaf, maar hé: met pindasaus wordt alles lekker. En de radslag, die kan ik helemaal niet meer.