Shit. Ik denk aan je.

Aan je cynische, slimme grapjes, en aan je afgetrapte schoenen.
Ik denk aan je lieve ogen en borsthaar,
en aan je geruite blouse, en je zwarte fiets met tassen.

Ik denk aan je zielige ogen en je kleermakerszit op de bank. Mijn bank.
Aan je honderd koffie op een ochtend, en aan je schaatsbenen denk ik ook.
Ik denk aan je lieve woorden en je fijne armen, aan je voorliefde voor muziek en rare films en blonde lokken.

Maar liever denk ik allerhande slechte dingen.Aan je vette haar, je lelijke verwassen trui en aan die inktvlek erin. Ik denk aan je rare onzekere buien en je gelige tanden, aan je muzieksnobisme en sigarettengeur.

Ik denk aan je legergroene jas. Nogal  uit model. Aan je volle jaszakken, want je had geen tas. Behalve een plastic Albert Heijn. Ik denk aan je uitstelgedrag en eeuwige sorry’s. En aan je weet ik het wat niet meer.

Jij roze olifant.
Zo honkvast en aanwezig. Met het openlijk schrijven, verjaag ik je misschien. Want een roze olifant die er mag zijn, gewoon omdat roze mooi is, die wordt meestal wit.

Of klein. Of hij gaat gewoon.