Ik drink elke dag liters thee. Alle smaken van Clipper en Pukka zijn wel langsgekomen inmiddels en ik heb de vragen van Pickwicks theelabels uitgespeeld. Nadeel is dat je er veel van moet plassen. En soms is dat extra vervelend. Zoals nu. Nog nooit werd ik me zo bewust van wc-bezoekjes en wat ze kunnen aanrichten. Als je keelontsteking hebt merk je pas hoe ingewikkeld de handeling van het slikken is. Een hap nemen wordt een worsteling. Normaal gedachteloos gedaan, nu met hyperbewustzijn. Ik pleeg nu hyperbewuste plasjes.


Met nonchalance zeg ik mezelf keer op keer dat het me niks doet. ‘Ik ga gewoon even mijn blaas legen’, speel ik opgemonterd. Nothing on the hand. Maar ik houd wel m’n adem in, tot ik concreet bewijs zie dat het dromenkasteel nog even kan blijven staan. De fantasie kan nog vloeien, zolang ik kraakhelder ondergoed zie en er niks anders vloeit.


Ondertussen hallucineer ik misselijkheid. Ik voel duizend soorten onderbuikpijn. Of voel ik niks? Wat voel ik eigenlijk? Ik voel het natuurlijk omdat ik er extra op let. Nee, nee, ik voel het écht. Denk ik. Of heb ik normaal misschien ook gewoon dit soort steken?

Ik kan vervallen in totale mismoedigheid bij de realisatie dat ik het natuurlijk allemaal mentaal zit te blokkeren, die onvermijdelijke menstruatie. Ik doe het zelf. Laat ik me maar voorbereiden op een teleurstelling. Ik bestraf mezelf omdat ik me zo laat meeslepen door zoete broodjes en dagdromen. En dan, 180 graden de andere kant op, herinner ik me weer de hoopvolle berichten van die vriendin van zus, en de kennis van zo. Het kan. Als ik het nu heel hard manifesteer en wacht op een teken van het universum, zoals een pimpelpaarse kat, dan lukt het vast. Ik moet positief zijn.


Ik voel mismoedigheid en ik voel hoop. Ik voel onverschillig realisme en aanvliegende paniek. Ik voel een prikkende speldenknop diep in de onderbuik, en voel een buik met paaseitjes erin. Ik ben een Jantje huilt-Jantje lacht, een onvoorspelbaar weertype waar De Bilt geen vat op krijgt. Ik ben een vrouw.


Ik verlang naar kots, een niet ambigue teken. Nooit eerder werd ik immers zo gespannen dat ik moest overgeven. Dus het zou een aanwijzing zijn. Een betere dan een pimpelpaarse kat. Ik zou midden uit een sessie met cliënt willen moeten rennen naar de wc. Ik zou geen hap ontbijt door m’n keel willen kunnen krijgen, hoe graag ik ook ontbijt. Kots zou het bewijs zijn. 


Op mijn verlanglijst: ochtendmisselijkheid en een uitgebraakt ontbijt. En een specifiek succesvol plasje.