Grijpmachine

‘Is dit niet rouw?’ zegt de bedrijfsarts als ze mijn relaas en gesnik aanhoort. ‘Van uw kinderwens? U blijft maar doorgaan hè, u bent nu helemaal opgebrand, maar volgens mij komt u daar op deze manier niet aan toe, AAN DIE ROUW!’

Ze presenteert het met zoveel nadruk dat het voelt als de grote gouden sleutel waarmee ik een deur zou kunnen openen, naar een of andere geheime kamer in mijn hoofd waar blijkbaar een dikke vette bak onaangeroerde rouw ligt te wachten op mijn aandacht. Gewoon aandacht geven en daarna gaat het beter. Naast: een levensgroot WAT MOET IK DAAR DAN MEE DÓEN??, voelde ik me vooral een beetje beledigd.

‘Ik ken mezelf toch heus wel? Ik bedoel, ik snap de gedachte, in theorie, maar ík heb niet zo’n geheime kamer met genegeerde gevoelens. Ik wandel er gewoon in hoor mevrouw, open en bloot. Huil soms als ik in de Zwitserse bergen ouders met baby’s in draagzakken zie, die onze droom hebben gestolen en een pak zout in de wond strooien met hun blije kind. Ik ben in contact met mijn gevoel, heus! Allerlei andere mensen niet, en die reik ik dan notabene in therapie de sleutels aan. Dan prop ik m’n eigen gevoelens toch heus niet ergens in een gangkast om ze vervolgens mijn rug toe te keren?’

‘Bovendien’, denk ik, ik zeg dit namelijk allemaal niet, ‘loop ik toch de godganse tijd juist over van veel tevéél gevoelens, dus hoezo moet ik stilstaan bij mijn eigen proces? Is dit dan niet het proces? De laatste tijd is er al gevoel wanneer mijn wachtwoord van werklaptop is verlopen en hij na 839 pogingen weigert mijn nieuwe wachtwoord te accepteren. Ik huilde al makkelijk maar tegenwoordig blijkbaar ook bij verlopen wachtwoorden.

‘Dus bedrijfsarts, ik ben áán het rouwen hoor, hoe dat er ook uit mag zien volgens dit werkwoord. Ik snap dat ik geen moeder word. En geen oma. En dat ik geen kletspot krijg van mijn kinderen gevuld met herinneringen als ik 40 jaar samen ben met mijn vriend. Mij wacht heus geen stinkende beerput’, zegt mijn innerlijke stem.

Hoe dan ook, want ze denkt er het hare van, moet er eerst energie gespaard worden. Niet méér doen, maar minder. Zuinigheid, niet rood staan op de energierekening en niet uitgeven wat je niet hebt. ‘Eerst maar eens met uw eigen proces aan de gang en kijken wat u in de rust aantreft.’ Aan het woord ‘proces’ heb ik inmiddels net zo’n hekel als aan ’traject’.

Maar ik doe al zo weinig, hoe kan ik nu nóg minder doen, denk ik. Alsof ze mijn gedachten raadt zegt ze: ‘Mevrouw! Luister goed, uw oude manier van doen heeft niet gewerkt, u moet structureel en fors minderen’, en daarmee besluit ze het gesprek.

Met deze expliciete rust op recept merk ik langzaam dat er misschien toch wat kamertjes zijn waar de deur misschien niet zo super uitnodigend open staat, laat staan dat de koffie er lekker pruttelt en ik me comfortabel in een bank nestel. Al na twee dagen voel ik me verschrikkelijk schuldig dat ik niet werk, dat ik mijn collega’s opzadel met mijn rommel, zie ik weer overal moeders met hun kind een croissantje eten bij precies mijn favoriete ontbijtplek, komt elke prikkel met de kracht van een bulldozer binnen, ben ik te moe om iets te doen maar wil ik me tegelijkertijd storten op verdovende projecten en bezigheden.

Ik schaam me er een beetje voor. Ik ben toch een psycholoog? Een schematherapeut notabene die het aan de lopende band heeft over voelen en gevoelsvermijding. Ik snap die mechanismen toch en doorzie ze toch meteen? Waar ik dacht een best gezonde omgang te hebben met het hele emotionele landschap kom ik zo langzaam tot het inzicht dat ik toch ook slinkse emotionele vermijdingsstrategieën hanteer die zich vermommen als gezonde zelfzorg.

Die strategie voelt als zo’n grijpmachine op de kermis. Met van die grote armen graaiend naar grip, naar een prijs voor kort geluk. Soms is er prijs met Tony’s (pure choco, kokos en amandel graag), maar soms is het een boekenchallenge, een hardloopschema, een wekelijkse yogales, een regelmatige massage bij die een hele fijne speciale masseur die ‘het’ er allemaal uitmasseert, acupunctuur, een psycholoog, een blog (guilty as we speak), een sapkuur, noem het maar. Allemaal best fijn en het geeft me de teugels, maar doet me wel ‘in het rood staan’ qua energie, realiseer ik me helaas.

Ik hoor mijn halve omgeving hier nu zeggen dat sport toch ook goed is, en een massage toch geen kwaad kan en dat ik vooral moet doen waar ik me lekker bij voel? Maar inmiddels weet ik niet meer wat mijn gezonde behoefte is en wanneer de grijpmachine bezig is om mij tijdelijk dopaminestootjes te geven en lastige kamers te vermijden.

Ik ben bang dat de bedrijfsarts gelijk heeft. En heel veel mensen naar wie ik niet luisterde ook: stoppen met graaien naar goedkope prijsjes, maar eens een tijdje meegaan in de achtbaan en het over je heen laten komen. Die haatte ik altijd al in het pretpark.

Vandaag lag ik dus achtbanerig bij de yoga te liggen en te voelen hoe mijn lijf weer laag voor laag spanning losliet. Ik huil weleens bij de yoga, zoals meer mensen om mij heen vaak flink snikken, maar vandaag voelde ik meteen bij de eerste vijf minuten tranen opwellen. Geen idee waarom, ze kwamen gewoon. Ik voelde het zoemen in mijn lijf, en met betraand gezicht zat ik aan het einde rechtop op mijn yogakussen ontdaan te zijn van dit ritje.

In de kleedkamer kletsten twee vrouwen luidruchtig na. Met snerpende stemmen die mijn zintuigen binnen denderden. Dat haat ik sowieso, dat vrouwengeklets als je nog helemaal lekker in je yoga-cocon zit. De een was nu 26 weken zwanger vertelde ze. Er ontstonden allerlei veelzeggende liefdevolle blikken en glimlachende gezichten om haar heen van andere yogamensen. ‘Ooohh, 26 weken, wat bijzonder, toch weer een nieuwe mijlpaal hè, nu is het levensvatbaar’. Of ze het kindje ook voelde? Ze voelde het voortdurend, haar kind. Zo magisch.

En ik voelde het ook. Niet fucking magisch, maar fucking leeg, met hete tranen en een dikke keel. Hallo kamer. Een koffie en een knuffel dan maar. (En toch ook een klein beetje verdovende choco graag.)