Snack
‘Het leven is een snack getrokken uit de muur van het niets’. Ik zag deze tekst een tijd geleden in een boekje van Gummbah, dat ik ooit kreeg van een vriendin. Een Gummbahaanse manier om te zeggen dat het leven maar een betekenisloos gedoetje is. We zitten hier op een zwevende steen in het heelal, worden geboren, gaan dood en daartussen maken we ons druk om Anja die altijd haar vieze koffiebekers in de afdelingskeuken laat staan, om welke serie we nu weer moeten kijken, of om ons collageen. Om maar iets te noemen.
Het leven heeft eigenlijk weinig écht nut. Ieder krijgt bovendien z’n portie lijden en als het er even niet is word je er via je persoonlijke geheugenbibliotheek wel aan herinnerd. Bruiloft? Leuk! Maar ook gemis van iemand die is overleden. Liefde gevonden? Fijn! Maar ook kans op verlies ervan, kijk maar eens naar al je gebroken harten in het verleden. Trainen voor een sportdoel? Heerlijk, krachtig ook! Maar je mist allerlei gezellige borrels met je gezonddoenerij.
Aan die snack die je uit de muur van het niets trekt, zul je kortom geregeld enorm je bek branden. Kies dan op z’n minst een snack die dat beblaarde gehemelte waard is. (Sowieso dus geen bamihap, bah!) Als je leeft naar je waarden kun je dat onvermijdelijke gedoe dat er mee gepaard gaat beter lijen. Ik houd van dit gedachtegoed, een basisprincipe van ACT, Acceptance and Commitment Therapy, want het is een moedige, waarachtige, en (zelf)bewuste manier van leven waarbij lijden niet weggemaakt hoeft te worden.
Een tijdje geleden verbrandde ik m’n hele bek aan de frikadel die m’n leven op dat moment was. Blaren nog wel even voelbaar en me de smaak ontnemend van de rest. Een collega herinnerde me zonder dat ze het wist met een lief steunend appje aan een belangrijke waarde: ‘Jij hebt het lef te leven met je hart. Doet nu helaas wel pijn’. Het kwam binnen, want precies goed getimed en de laatste jaren een graadmeter of het nog oke is met die waarden van mij.
Tot een paar jaar terug was ik toch snel geneigd mijn geluk of tevredenheid af te meten aan de hand van successen. Bij tegenslag kon ik weleens vervallen in het speuren naar groene grasmatten of dito grassprietjes bij de buren: Zij hebben een koophuis, ik niet. Vrijwel al mijn vrienden en collega’s en familieleden hebben dat ook. Jezus, ik heb ook al geen kinderen. Ooit een paar embryo’s die geen kinderen wilden worden, en dit zó erg niet wilden dat ze zelfs nooit een plusje op een zwangerschapstest gaven. Een heel erge niet-moeder ben ik. Ik heb geen duizend registraties voor allerhande psychologenverenigingen. Ik ben slechts een generalist, met een extra krulletje voor schematherapie, maar geen extra krulletje voor de verenigingen der EMDR, CGT, psychotherapie of KP. Evenmin ben ik gepromoveerd. Ik ken mensen met koophuizen, een proefschrift op hun naam, twee kinderen die ze hebben gedragen en gebaard en minimaal drie krulletjes achter specialistenpsychologentitel hebben. Vrijgezel ben ik ook nog, dus zonder partner, in tegenstelling tot veel anderen. Ook zonder auto en mét rijangst, dat zie je ook niet snel bij de buren, die hebben dit soort dingen gewoon.
Het is ook niet zo dat ik me tegen al deze conventies verzet; ‘Ik ben lekker onafhankelijk, ik trek mijn eigen plan, wars ben ik van dit soort geijkte paadjes, ik ben een eenling, bepaal zelf mijn regels’. Zoiets. Nee. Allemaal niet. Ik zou het best willen, maar het is er nu gewoon niet. Verleidelijk om meteen allerlei verzachtende, relativerende en opbeurende perspectieven te bieden, niet? Want het wordt bijna treurig en pijnlijk deze opsomming.
Dit is zo’n moment, dat die tekst van m’n collega resoneert. Leven met het hart. In verbinding met mensen. Een ultieme herinnering dat het hierom gaat, voor mij althans. Als ik denk aan mijn werk zie ik cliënten voor me voor wie ik iets heb kunnen betekenen. Ik zie de moeilijke en ontroerende momenten in therapie, een blunder, een paar tranen, gedeelde humor, groei. Niet het protocol dat ik perfect uitvoerde en het ingelijste certificaat of CV op Linkedin. Als ik denk aan mijn huis denk ik aan een keuze die gemaakt is, en die me vrijer maakte, dichter bij de mensen om me heen, dichter bij mezelf. Ik heb het helemaal zelf knus en leuk gemaakt, mensen vinden het er gezellig. Ik beleefde er avonturen, avontuurtjes, werd er opnieuw knalverliefd. Als ik 40 jaar vooruitgespoeld terugblik op dit huis zal ik aan die dingen denken, niet aan die bakstenen die toebehoren aan Urban Interest in plaats van aan mij. Ik leefde er met het hart, fucking vastgoedboeven! Ik zie geen partner nu, wel liefde, in velerlei vorm. Opgeslagen in de geheugenbibliotheek, of in lange voiceapps van vrienden, in tekeningen van een oranje dikke kat die mijn nichtjes maken, in m’n lieve Balinese masseur die altijd incheckt hoe het gaat en recent zei: ‘I can tell, you are sad’, en me een knuffel gaf. Het wordt gevoeld door mooie woorden en gebaren van mensen, uit soms onverwachte hoek, die ook zielenroerselen delen en een beetje van hun hart prijsgeven met evenveel moed. En het zit in eerdere liefde die zag, kwam en niet overwon, maar die is verankerd in hoofd, lijf en hart.
Ik wil soms een gelijkmatig mens zijn, die het leven bewandelt op een gewoon leuk gelegd paadje. Met steentjes in zo’n mooi patroon. Gewoon rechtdoor en dan lekker wandelen met een hond en een kind en dat je daar verderop in natuurgebiedje je huis ziet, met je leuke man, die leest in de tuin met een biertje. Paar vrienden erbij ook, en dat er dan een bijgebouwtje in de tuin is voor een eigen praktijk, met al die ingelijste tyfuscertificaten. Maarja. Maarja. Op mijn weg groeit best wat onkruid tussen die leuke steentjes. Soms moeilijk te onderscheiden van de ‘goede’ bloemen, want best mooi onkruid ook. Soms houdt het pad ineens op en moet ik een heel stuk omlopen en weet ik niet hoe lang dat allemaal duurt. Er is wel van alles te zien onderweg en ik houd bovendien van lopen. Hoewel dat hart soms best iets te verduren krijgt, is het nog elke keer van de partij. Het klopt voor een zonsopkomst, een nieuwe vriendin, een mooie tekst, een kat op straat, een herinnering. Het klopt wat harder als ik stukken wil hollen. Er haken allerlei mensen aan onderweg die ook graag wandelen en vaak ook hun eigen fair share aan omwegen achter de rug hebben. Fijne ploeterende metgezellen.
Leven met het hart. Heb je tenminste ook gezeik om over te lullen, zo tussen de geboorte en de dood.