Het hart

Als mens kunnen we onszelf een verhaal op de mouw spelden over ons gevoelsleven dat we bij herhaalde vertelling steeds meer gaan geloven. ‘Het is al heel lang uit dus het raakt me niet dat m’n ex een nieuwe vriendin heeft’, om maar iets te noemen. We proberen maar een beetje te snappen en te kaderen wat er gebeurt in ons binnenste. In het beste geval een goede weergave, in veel gevallen bedoeld om gevoelens op afstand te houden. Mijn cognitief gebouwde raamwerkjes op liefdesgebied zijn bijvoorbeeld ‘ik heb geen zin in een relatie nu want ben te druk’ en ‘ik kan niet gekwetst worden want ik wist vantevoren dat het niks kon worden met X’. Noem het afweer, noem het slachtofferschap van het denkende brein, noem het naïviteit, maar ik en mijn grijze massa maken maken mij van alles wijs.


Ik heb iemand ontmoet. Een man om precies te zijn. Een best leuke om preciezer te zijn. Een best leuke die voortdurend in mijn hoofd zit, maar dat laatste krijg ik al bijna mijn strot niet uit vanwege het bouwwerk van gedachten dat ik er omheen heb gebouwd. Alles ter bescherming van mijn hart. ‘Het wordt namelijk niks want hij is een beetje bezet dus het is gewoon voor de leuk’. Zodra je gaat bouwen weet je eigenlijk al dat het er iets óf helemaal niet pluis is, óf potentieel juist heel erg pluis.


Een goede vriendin introduceerde hem op een borrel in bruine Utrechtse kroeg. ‘Beetje een professortje’, zoiets zei ze. Ze kende hem nog niet goed dus de rest van het gezelschap vulde aan ‘mét charisma’. Zijn naam staat erg ver van de huidige generatie en doet denken aan je 75-jarige oom. Weinig verwachtingen en bovendien kwam ik er ook niet voor, we gingen immers gewoon naar een concert en biertjes drinken en ‘ik heb geen zin in daten en mannengedoe’. 


De professor kwam binnen en ik zag waar de aanvulling over het charisme op sloeg. De professortypering trouwens ook maar dat maakte hem saaier dan deze man leek. Hij zag eruit alsof hij op boevenpad ging. Beetje een plagerige blik, iemand in het gezelschap subtiel op zijn nummer zetten, allerlei vragen stellen. Serieus uiterlijk, geen serieus innerlijk, roken als een ketter. Geinige toevoeging aan zo’n uitgaansclubje. Goh. Soms heb je ineens dat er iets stroomt. Van collega’s, reisgenoten, sportmaatjes weet ik vaak al snel wie er blijven plakken, niet enkel aan de avond maar ook aan m’n sociale kring.


De avond riep bij het hele clubje weemoed op vanwege herinneringen aan de bruine Utrechtse kroeg en studerende jaren. De weemoed voorzag mij en de professor van veel bier, veel praten, veel donkere humor, veel zelfspot en een gedeelde grote pijnlijkheid. Veel gedans, en ook hij had een cognitief bouwwerkje paraat bleek later. ‘Een relatie, blij mee, maar elkaar toestemming gevend voor wat geklooi in de marge’. Hij bleef die avond vooral aan mijn lippen plakken, maar de marge die hij beschikbaar had, leek de potentie te hebben om al snel de halve pagina in beslag te nemen. Dus besloten we: ‘als dit te ingewikkeld en te leuk wordt, dan stoppen we’. 


Als je het mij vraagt is dit een waterdichte constructie. Aangezien verliefdheid vaak wordt vergeleken met een kortdurend psychotisch toestandsbeeld kun je inderdaad heel goed verwachten dat de realiteitstoetsing rondom dit soort afspraken intact blijft. De rijkelijk stromende dopamine zal ons prima in staat stellen om de zelfbedachte grenzen serieus te nemen en impulsen te remmen. Waar wederzijdse verliefdheid vleiend is en vaak een vertrekpunt zou het dus een eindpunt betekenen. Prima, lukt mij natuurlijk uitstékend, ik blink immers in het algemeen wel uit in oppervlakkig poedelen in het sociale verkeer dus de échte verbinding houd ik wel op afstand. Het stijlfiguur van de omdraaiing wordt hier wel rijkelijk gebruikt.


Fast forward. Het is te leuk geworden. Mijn impulscontrole laat nog immer te wensen over en ik spaar dopaminebommetjes in de vorm van inside jokes, zwarte humor en zoete woordjes. Op verschillende momenten op de dag voel ik me een kleuter die beseft dat hij bijna jarig is. Ik heb plezierimplosies bij berichtjes en zou me een avond best kunnen vermaken met louter staren naar zijn mond. Ik vertel mezelf ondertussen dat dit sowieso nooit een relatiematch zou zijn, ook al hadden we die keuze wel. Even toetsen nu hoe stevig het fundament is van de vertelling dat ‘deze verliefdheid vooral bestaat bij de gratie van de onmogelijkheid ervan en dat hij wel snel zal vervliegen’.